Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7912 - Rechtbank Amsterdam - 28 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7912•28 oktober 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
Zaaknummers: AMS 25/5614 en AMS 25/5616
(gemachtigden: mr. K. van der Hoeven en mr. R.G. Meester),
en
(gemachtigden: mr. M. Mulder en mr. R. Klous).
Procesverloop
2.1. Met de bestreden besluiten van 25 september 2025 heeft verweerder de exploitatievergunningen van verzoekster voor de horecagelegenheden aan de [adres 1] en de [adres 2] te Amsterdam ingetrokken voor de duur van één week. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens verzoekster, de gemachtigden van verzoekster, de horecaprofessional en extern adviseur [naam 2] en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3.1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
3.2. Verzoekster heeft ter onderbouwing van de financiële gevolgen van de sluiting een verklaring van een administrateur/boekhouder overgelegd. Hierin staat dat de tijdelijke sluiting van één week zal leiden tot een aanzienlijke financiële schade van naar schatting circa € 40.000,-, met bovendien het risico dat bestaande betalingsverplichtingen uit de coronaperiode niet langer kunnen worden nagekomen waardoor een reëel gevaar bestaat voor de bedrijfscontinuïteit op korte termijn. Op de zitting is toegelicht dat deze verklaring ziet op beide horecagelegenheden. Ook is op de zitting toegelicht dat verzoekster een betalingsregeling heeft getroffen met de Belastingdienst voor het afbetalen van schulden uit de coronaperiode. Zodra verzoekster één termijn niet op tijd kan betalen zal de schuld in één keer afbetaald moeten worden. Verzoekster heeft hier niet de financiële middelen voor. De voorzieningenrechter ziet in het bovenstaande voldoende spoedeisend belang om de verzoeken inhoudelijk te behandelen.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel
- De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een (voorlopig) rechtmatigheidsoordeel te geven. Uit de door verzoekster ingediende aanvullende bezwaargronden blijkt dat in deze zaak complexe vraagstukken aan de orde zijn met betrekking tot de Dienstenrichtlijn, de Beleidsregel levensgedrag en wijze van bedrijfsvoering en de Handhavingsstrategie Horeca. Deze complexiteit maakt dat de voorzieningenrechter zich niet zal uitlaten over de kans van slagen van deze bezwaargronden. De voorzieningenrechter zal zich in deze procedure beperken tot een belangenafweging.
Belangenafweging
- De voorzieningenrechter overweegt dat het gelet op de voorgeschiedenis van verzoekster met de vele overtredingen enerzijds begrijpelijk is dat verweerder in de bestreden besluiten de exploitatievergunning van verzoekster heeft ingetrokken voor de duur van één week, vanwege de nadelige invloed die verzoekster heeft op het woon - en leefklimaat door de wijze van bedrijfsvoering. Anderzijds heeft verzoekster hier tegenover gesteld dat er allerlei bedrijfsverbeteringen zijn doorgevoerd die ervoor zullen zorgen dat geen overtredingen meer zullen plaatsvinden in de toekomst. Zo heeft verzoekster een externe horecaprofessional, de heer [naam 2] , ingehuurd om te kijken naar de bedrijfsvoering van de twee horecagelegenheden en verdere (mogelijke) verbeteringen daarin. De doorgevoerde verbeteringen zijn uiteengezet in een bedrijfsplan dat door de heer [naam 2] is opgesteld. Verder heeft de heer [naam 2] op de zitting toegelicht dat hij door middel van personeelstrainingen meer structuur heeft aangebracht in de bedrijfsvoering van de horecagelegenheden van verzoekster. Zo heeft hij verbeteringen aangebracht in het (beter) instrueren van het personeel, het opstellen van richtlijnen met betrekking tot het terras, het plaatsen van borden ten behoeve van een goede gang van zaken in en om de horecagelegenheden en het werken met klachtenformulieren voor bewoners.
- Verder overweegt de voorzieningenrechter dat door verweerder moet worden onderzocht of verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat stappen zijn gezet die leiden tot een deugdelijke bedrijfsvoering en of dit opweegt tegen de overtredingen.
[1] Verweerder heeft hierover in de bestreden besluiten niets overwogen terwijl dit tijdens het zienswijzegesprek wel aan de orde is geweest. De bezwaarfase biedt daarom bij uitstek de mogelijkheid om gedegen te onderzoeken of de doorgevoerde bedrijfsverbeteringen doen waarvoor ze bedoeld zijn: geen overtredingen meer en geen klachten meer van omwonenden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij deze stand van zaken het belang van verzoekster bij schorsing van de intrekking van de exploitatievergunningen zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij de bescherming van het woon - en leefklimaat. De voorzieningenrechter heeft bij dit oordeel ook betrokken dat tegen veel van de gestelde geluidsovertredingen al wordt opgetreden door verweerder door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er daarom nu geen urgentie om de horecagelegenheden van verzoekster voor een week te sluiten. Er is immers geen sprake van een acute dreiging of gevaar voor het woon - en leefklimaat nu al een andere handhavingsstrategie is ingezet door verweerder om de geluidsovertredingen te voorkomen. Verzoekster moet daarom een kans worden geboden om het vertrouwen van verweerder te herwinnen. Verweerder kan de tijd tot de beslissing op bezwaar zien als een soort proeftijd. Als het goed blijft gaan en er geen overtredingen plaatsvinden kan verweerder daaraan consequenties ten gunste van verzoekster verbinden in de beslissing op bezwaar. Als er wel nieuwe overtredingen plaatsvinden ook, maar dan ten nadele van verzoekster. De conclusies kunnen door verweerder tevens worden meegewogen bij de verlengingsaanvragen van de exploitatievergunningen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe en bepaalt dat de bestreden besluiten worden geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de exploitatievergunningen van verzoekster rechtsgeldig doorlopen en niet worden opgeschort tot in ieder geval zes weken na de beslissing op bezwaar.
Conclusie en gevolgen
7.1. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorzieningen dat de besluiten van 25 september 2025 zijn geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7.2. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter: - schorst de besluiten van 25 september 2205 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 770, - aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2352. - - - ## Voetnoten