Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7748 - Rechtbank Amsterdam - 19 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7748•19 september 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/1421
en
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een parkeervergunning voor bewoners (hierna: bewonersvergunning) voor een bedrijfsvoertuig van [bedrijf] . Eiser is het niet eens met de afwijzing en heeft in zijn beroepschrift aangegeven waarom. Aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden, beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
- De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag voor een bewonersvergunning op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
- Eiser heeft een bewonersvergunning aangevraagd. Met het besluit van 11 november 2024 heeft het college de bewonersvergunning geweigerd. In reactie op het bezwaar van eiser is het college met het bestreden besluit van 6 februari 2025 bij haar eerdere besluit gebleven: eiser krijgt geen bewonersvergunning.
- Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van het college en [naam] namens [bedrijf] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
- Eiser is als bergingschauffeur werkzaam voor [bedrijf] . Hij heeft een bewonersvergunning op zijn eigen adres in Amsterdam aangevraagd voor een bedrijfsvoertuig van [bedrijf] , een 10-tons bergingsvoertuig. Eiser gebruikt dit voertuig tijdens piket - en weekenddiensten bij calamiteiten op de weg in en rondom Amsterdam. Om in geval van calamiteiten zo snel mogelijk ter plaatse te kunnen zijn, is het wenselijk dat eiser het bedrijfsvoertuig in de buurt van zijn eigen adres kan parkeren. Dit staat in een brief van 20 november 2024 van Stichting Incident Management Nederland. Eiser parkeert het bergingsvoertuig op dit moment bij hem in de buurt van zijn adres tegen gebruikelijke parkeerkosten. Dit doet eiser één avond in de week en één weekend iedere drie weken. [bedrijf] betaalt de parkeerkosten.
- Het adres van eiser is gelegen in deelvergunninggebied [locatie] .
[1] In dit gebied kan per adres één bewonersvergunning worden verleend,[2] verminderd met het aantal stallingsplaatsen waarover de aanvrager beschikt.[3] Eiser betwist niet dat hij een stallingsplaats heeft. Het aantal aan hem te verlenen bewonersvergunningen bedraagt daarmee nul. Dit is tussen partijen niet in geschil. De vraag is of – zoals eiser betoogt – de hardheidsclausule[4] van toepassing is en of eiser daarmee toch in aanmerking kan komen voor een bewonersvergunning.
- Eiser vindt namelijk dat de hardheidsclausule van toepassing is omdat zijn situatie zich bijzonder onderscheid van de situatie van de andere bewoners. In zijn geval gaat het om een hulpverleningsvoertuig dat bij calamiteiten zo snel mogelijk ter plaatse moet zijn. Dit geldt niet voor de andere bewoners. Daarnaast voert eiser aan dat de omwonenden zijn geïnformeerd over het parkeren van de bergingsauto. Verder vindt eiser dat de kosten van de bewonersvergunning en de gebruikelijke parkeerkosten op straat niet met elkaar in verhouding zijn. [bedrijf] onderschrijft het standpunt van eiser.
- De rechtbank overweegt dat de hardheidsclausule alleen van toepassing is in zeer bijzondere gevallen. Op de zitting is duidelijk geworden dat het in deze zaak in de kern om een financieel belang van [bedrijf] gaat: een bewonersvergunning bedraagt aanzienlijk minder dan de gebruikelijke parkeerkosten op straat. De rechtbank is van oordeel dat het college in dit financiële belang geen aanleiding heeft hoeven zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Eiser kan de bergingsauto immers wel parkeren in de buurt van zijn adres, zij het tegen de gebruikelijke parkeerkosten. Niet is gebleken dat eiser dan wel [bedrijf] deze parkeerkosten niet zouden kunnen dragen en dat deze kosten tot financiële problemen zouden leiden. De rechtbank concludeert daarmee dat het college in redelijkheid heeft mogen afzien van toepassing van de hardheidsclausule.
- De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat er tussen [bedrijf] en het college al lange tijd een (indirecte
[5] ) relatie bestaat. Gelet op deze langdurige relatie en het publieke belang van het college dat [bedrijf] tijdig hulp verleent bij calamiteiten op de wegen in en rondom Amsterdam, acht de rechtbank het wenselijk dat partijen met elkaar in gesprek blijven over mogelijke oplossingen.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2 van het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 Amsterdam juli 2024 (het Uitwerkingsbesluit) en onderdeel 5.10, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Uitwerkingsbesluit.
Artikel 6, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit.
Artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening 2013 (de Parkeerverordening).
Artikel 40 van het Uitwerkingsbesluit.
[bedrijf] verricht deze werkzaamheden in opdracht van de Stichting Incident Management Nederland (Stichting IMN) die met deze taak is belast door Rijkswaterstaat en de Gemeente Amsterdam. - - - ## Voetnoten