Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7550 - Rechtbank Amsterdam - 2 april 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7550•2 april 2025
Uitspraak inhoud
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
Zaaknummer: C/13/765815 / KG ZA 25-163 IHJK/EvK
Vonnis in kort geding van 2 april 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser bij dagvaarding van 11 maart 2025,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.M.C. Wingen te Heemstede,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.
1 De procedure
1.1. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 19 maart 2025 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.
1.2. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: [eiser] met mr. Wingen, en [gedaagde] met haar adviseur en haar advocaat mr. du Bois.
1.3. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
2.1. Sinds 19 oktober 2016 ligt er conservatoir beslag op de woning van [eiser] aan de [adres] . Dit beslag is gelegd door [erflater] (hierna: [erflater] ).
2.2. [erflater] is op [overlijdensdatum] 2023 overleden. Hij was getrouwd met [gedaagde] .
2.3. [erflater] was notaris en hij is in 2016 gedagvaard door Stichting Kwaliteitsfonds Notariaat vanwege (onder meer) tekorten op de kwaliteitsrekening. [erflater] heeft in het kader van die procedure zijn oud-medewerker [eiser] , op 14 september 2016 in vrijwaring opgeroepen en conservatoir beslag laten leggen op de woning van [eiser] .
In de hoofdprocedure tussen Stichting Kwaliteitsfonds Notariaat en [erflater] , is [erflater] bij vonnis van 2 november 2022 veroordeeld om (onder meer) het tekort in het saldo van de kwaliteitsrekening terug te betalen. De vrijwaringszaak (tussen [erflater] en [eiser] ) is op 4 april 2018 doorgehaald.
2.4. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] , als langstlevende erfgenaam van [erflater] , bij brief van 19 december 2024 verzocht mee te werken aan opheffing van het conservatoir beslag. De advocaat van [eiser] heeft dit verzoek bij brieven van 16 januari 2025 en 29 januari 2025 herhaald.
3 Het geschil
3.1. [eiser] vordert – samengevat – om [gedaagde] te veroordelen, op straffe van een dwangsom, tot opheffing van het conservatoire beslag op de woning van [eiser] aan de [adres] .
3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat er geen grond meer is voor het beslag, omdat de vrijwaringszaak tussen [erflater] en [eiser] in 2018 is doorgehaald. [gedaagde] is als langstlevende erfgenaam bevoegd om het beslag op te heffen, zij is zelfs verplicht om dat te doen. Het is namelijk slechts een daad van beheer.
3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert aan dat de erfgenamen, zij zelf en de twee dochters van [erflater] , de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. Daarom is zij niet bevoegd tot opheffing van het beslag. Er moet een vereffenaar worden benoemd en die kan in het kader van de vereffening het beslag opheffen. Bovendien kan het opheffen van het beslag worden gezien als een daad van aanvaarding.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1. Het conservatoire beslag op de woning van [eiser] is gelegd in het kader van een vordering van [erflater] op [eiser] , die in de vrijwaringszaak tussen [erflater] en [eiser] aan de orde is geweest. De vrijwaringszaak is in 2018 doorgehaald en daarmee is de rechtsgrondslag voor het beslag komen te vervallen. Die kan ook niet herleven, door instelling van een (nieuwe) vordering door de erven tegen [eiser] . Doordat er geen rechtsgrondslag is voor het beslag, moet dit beslag worden opgeheven. De vraag is vervolgens of dit kan worden afgedwongen middels deze door [eiser] ingestelde vorderingen.
4.2. [gedaagde] heeft gesteld dat zij niet de enige erfgenaam is van [erflater] , maar dat er nog twee andere erfgenamen zijn. Zij heeft dit niet met stukken onderbouwd, maar dit is ook niet door [eiser] betwist zodat hier (op dit moment) vanuit wordt gegaan. Uitgangspunt is dat [gedaagde] en deze twee andere erfgenamen op dit moment, vanwege de beneficiaire aanvaarding, gezamenlijk vereffenaar zijn van de nalatenschap van [erflater] . Dat betekent dat [gedaagde] niet zelfstandig het beslag kan opheffen, maar alleen samen met de twee andere erfgenamen.
De stelling van [eiser] dat [gedaagde] hiertoe wel bevoegd is omdat zij de langstlevende erfgenaam is en zij dan daden van beheer kan verrichten wordt niet gevolgd. De vereffenaar vertegenwoordigt de nalatenschap en is hiertoe bevoegd, en dat is in dit geval niet alleen [gedaagde] , maar dat is zij samen met twee andere erfgenamen.
4.3. Op grond van het voorgaande is de conclusie dat [eiser] alle drie de erfgenamen had moeten dagvaarden, omdat zij gezamenlijk vereffenaar zijn (zolang er geen vereffenaar is benoemd). [gedaagde] is niet zelfstandig bevoegd om het conservatoire beslag op de woning van [eiser] op te heffen. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4.4. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering,
5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.[1]
type: EvK
coll: BB - - - ## Voetnoten