Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7549 - Rechtbank Amsterdam - 7 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7549•7 oktober 2025
Rechtsgebieden
Uitspraak inhoud
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11722639 CV EXPL 25-7711
vonnis van: 7 oktober 2025
I n z a k e
wonende te [woonplaats]
eiseres, nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. R. Teyhoff (DAS)
t e g e n
wonende te [woonplaats]
gedaagde, nader te noemen: [gedaagde]
niet verschenen.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
2.1. [eiseres] vordert [gedaagde] primair te veroordelen tot betaling van € 15.000,-, subsidiair tot betaling van € 7.136,-, laatstgenoemd bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, en € 925, - aan buitengerechtelijke kosten, alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.2. [eiseres] stelt – kort gezegd – dat [gedaagde] bij haar voor de duur van één maand een tas heeft gehuurd en deze nooit heeft teruggegeven. De huur bedroeg € 139, - per maand en deze heeft [gedaagde] slechts één keer betaald. [gedaagde] handelt in strijd met de overeenkomst, waardoor [eiseres] schade heeft geleden. In de overeenkomst is een boetebeding opgenomen. [gedaagde] heeft niet gereageerd op voorstellen om het geschil in der minne op te lossen, waarbij is benadrukt dat anders de contractuele boete zal worden gevorderd.
2.3. [eiseres] heeft de overeenkomst gesloten als handelaar en [gedaagde] als consument. De overeenkomst is dan ook een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of [eiseres] heeft voldaan aan haar informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en of in de overeenkomst oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen) zijn opgenomen. Het gaat dan om de bedingen waarop [eiseres] in het kader van de vordering een beroep doet of had kunnen doen. Dat moet ook als hierop geen verweer is gevoerd.
2.4. [eiseres] baseert haar primaire vordering op punt 7 van het artikel Betaling en Kosten van haar algemene voorwaarden (verder: het boetebeding). Dat artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:
(..)
2. Vergoedingen voor te laat retourneren van een designer bag: Als je een designer bag niet op het afgesproken tijdstip inlevert, kun je aansprakelijk worden gesteld voor extra vergoedingen.
3. Vergoedingen voor laattijdige betalingen worden berekend tot het volgende:
*1. Wij rekenen per dag dat je te laat bent 50% van de huur prijs met een maximaal van*
*14 dagen.*
*2. Na deze 14 dagen hanteren wij 200% toeslag om 'koop zonder teruggave'-actie te voorkomen.*
*(..)*
*7. DE DESIGNER BAG(S) VERLOREN/GEEN TERUGKEER: als je een Designer bag na de gehuurde overeenkomst niet retourneert, wordt er per dag dat je te laat bent 50% van de huurprijs met een maximaal van 14 dagen berekent.*
*Na deze 14 dagen hanteren wij 200% toeslag om 'koop zonder teruggave'-actie te voorkomen.*
2.5. Een beding in een overeenkomst, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
2.6. Een beding in onder meer oneerlijk wanneer het leidt tot een onredelijk nadeel voor de consument in vergelijking met de situatie waarin niet het beding maar (alleen) de wet geldt. Dat is bij het (niet-gemaximeerde) boetebeding van [eiseres] het geval, nu de boete volgens [eiseres] op 1 mei 2025 is opgelopen tot een bedrag van € 114.027,-, terwijl de gehuurde tas volgens haar (minstens) € 3.800, - waard is. In het buitengerechtelijke traject zijn bedragen van € 25.779, - en € 57.471, - genoemd. Ook als de tas inmiddels in waarde zou zijn gestegen, zoals [eiseres] bepleit, en rekening wordt gehouden met gederfde winst, zal bij lange na niet het bedrag van € 114.027, - worden gehaald. De schadevergoeding die [gedaagde] op grond van de wet aan [eiseres] zou zijn verschuldigd zal dan ook vele malen lager zijn dan het bedrag dat zij ingevolge het boetebeding zou moeten betalen. Dat [eiseres] de boete heeft gemaximeerd tot € 15.000, - maakt voor dit oordeel niet uit, nu het erom gaat of het boetebeding oneerlijk kán uitpakken voor de consument.
2.7. Het boetebeding is dermate nadelig voor [gedaagde] , dat daardoor het evenwicht tussen de rechten en plichten van partijen aanzienlijk wordt verstoord. Het beding wordt daarom oneerlijk bevonden. Alvorens dit vast te stellen mag [eiseres] zich hierover nog uitlaten.
2.8. Daarop vooruitlopend wordt overwogen dat een oneerlijk beding de consument niet bindt (artikel 6 lid 1 van de richtlijn oneerlijke bedingen), zodat de primaire vordering in dat geval niet toewijsbaar is.
2.9. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) kan [eiseres] vervolgens ook geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die zonder het oneerlijke beding van toepassing zou zijn geweest. Dat betekent dat ook de subsidiaire vordering zou worden afgewezen.
2.10. [eiseres] wordt verzocht de gevraagde toelichting en eventuele stukken, inclusief dit vonnis, tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting aan [gedaagde] te sturen, met de mededeling dat en hoe zij daarop op die rolzitting kan reageren dan wel daarvoor uitstel kan vragen. [eiseres] wordt in dat kader verzocht naast de akte ook de mededeling/brief aan [gedaagde] in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan [gedaagde] is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
BESLISSING
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 4 november 2025 om 10.00 uur voor het nemen van een akte door [eiseres] , waarin zij zich kan uitlaten als onder rov. 2.7. is omschreven;
bepaalt dat [eiseres] de akte tenminste twee weken vóór deze rolzitting aan [gedaagde] moet sturen, zoals onder rov. 2.10. is bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025 in tegenwoordigheid van mr. T.C. van Andel, griffier.