Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7547 - Rechtbank Amsterdam - 27 februari 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7547•27 februari 2025
Uitspraak inhoud
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
Zaaknummer / rolnummer: C/13/764327 / KG ZA 25-105 NB/EvK
Vonnis in kort geding van 27 februari 2025
in de zaak van
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
eiser bij dagvaarding van 18 februari 2025,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Rahimzadeh te Amsterdam,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.N. Texel te Amsterdam.
1 De procedure
1.1. Ter zitting van 26 februari 2025 heeft de vader de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De moeder heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties ingediend en de moeder ook een pleitnota.
1.2. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig partijen en hun advocaten.
1.3. In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is vonnis bepaald op 27 februari 2025 in de vorm van een 'kopstaartvonnis'. Dit is de uitwerking daarvan die op 13 maart 2025 is afgegeven.
2 De feiten
2.1. Partijen zijn op 15 februari 2021 te Amsterdam met elkaar gehuwd.
De vader heeft op 5 augustus 2023 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.
2.2. Partijen hebben samen een minderjarige kind: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024. Zij hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .
2.3. Bij beschikking van 26 september 2024 betreffende voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank voor de duur van de echtscheidingsprocedure bepaald dat:
2.4. De vader wenst met [minderjarige] tijdens de Ramadan naar Marokko te reizen, maar de moeder geeft geen toestemming. De vader wil [minderjarige] ook graag laten vaccineren en laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma, maar de moeder niet. De advocaat van de vader heeft de advocaat van de moeder ter zake deze twee onderwerpen op 13 december 2024 en 22 januari 2025 aangeschreven.
3 Het geschil
3.1. De vader vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. te bepalen dat aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om in de periode van [datum 1] 2025 tot en met [datum 2] 2025 met de minderjarige [minderjarige] op vakantie te gaan naar [plaats 1] en [plaats 2] (Marokko), en voorts te bepalen dat dit vonnis mede in de plaats zal treden van de handtekening c.q. toestemming van de moeder;
II. bij toewijzing van het gevorderde onder (I): de moeder te bevelen in dat geval het paspoort van [minderjarige] tijdig aan de vader af te geven zodat hij in de voorgenoemde reisperiode met [minderjarige] naar Marokko kan reizen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000, - per dag dat de moeder hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-;
III. te bepalen dat aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] vanuit het Rijksvaccinatieprogramma te laten vaccineren voor alle van belang zijnde vaccinaties voor [minderjarige] , zoals dat uit het rijksprogramma volgt en geadviseerd wordt, waaronder doch niet uitsluitend, de veertien maanden, drie jaar, vijf jaar, tien jaar en veertien jaar vaccinaties en voorts te bepalen dat dit vonnis mede in de plaats zal treden van de handtekening c.q. toestemming van de moeder;
IV. kosten rechtens.
3.2. De moeder voert verweer.
4 De beoordeling
4.1. In geschillen over de uitoefening van gezamenlijk gezag, neemt de rechter een zodanige beslissing als hem of haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.2. De vader wenst vervangende toestemming te krijgen van de voorzieningenrechter, die in de plaats komt van toestemming van de moeder, voor een reis naar Marokko met [minderjarige] van [datum 1] tot en met [datum 2] 2025 en deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma voor [minderjarige] . De vader heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Hij wil graag met zijn dochter naar Marokko tijdens de Ramadan om daar zijn familie te bezoeken. Hij ziet geen bezwaren tegen het maken van deze reis. Daarnaast wil hij [minderjarige] graag laten vaccineren. Dat is volgens hem het meest in het belang van [minderjarige] . Het Rijksvaccinatieprogramma is opgesteld ter bescherming van kinderen. De moeder van [minderjarige] werkt op een kinderdagverblijf en hij meent dat er daarom een groot risico is dat de moeder daar iets oploopt en doorgeeft aan [minderjarige] . Verder is er geen medische contra-indicatie voor vaccinaties voor [minderjarige] , aldus de vader.
4.3. De moeder heeft drie verweren aangevoerd tegen de vorderingen van de vader: er is geen spoedeisend belang, het is niet in het belang van [minderjarige] en met betrekking tot de vordering tot deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is sprake van misbruik van procesrecht. Alle drie de verweren slagen niet, de voorzieningenrechter licht dit toe.
Reis naar Marokko
4.4. Ten aanzien van het spoedeisend belang geldt dat het voldoende duidelijk is dat de vader over enkele weken naar Marokko wil afreizen. Het is niet vereist dat hij al reserveringen van vliegtickets moet laten zien om aan te tonen dat sprake is van spoed. Ook heeft de vader voldoende toegelicht dat hij in het belang van [minderjarige] met haar naar Marokko wil reizen. Zijn familie woont grotendeels in Marokko en familie die in Frankrijk woont zal ook op dat moment in Marokko verblijven. Dit is voor hem een goede gelegenheid om samen met [minderjarige] zijn familie te bezoeken. Het feit dat [minderjarige] tot nu toe alleen één nacht bij hem heeft overnacht is tot slot geen reden waarom [minderjarige] niet een week mee kan naar Marokko. De vader heeft toegelicht dat hij al eerder, toen [minderjarige] twee maanden oud was, samen met de moeder naar Marokko is gereisd en dat de reis toen ook goed is gegaan en dat in dit geval zijn familie met hem mee reist en ook familie aldaar kan helpen. Voor zover de moeder bang is dat de vader niet goed voor [minderjarige] zal zorgen, lijkt deze angst ongegrond en heeft zij dit niet nader onderbouwd. Daarom zal de voorzieningenrechter vervangende toestemming voor de reis naar Marokko verlenen.
Deelname Rijksvaccinatieprogramma
4.5. Hoewel de vader het onderwerp over de vaccinaties heeft gebruikt in de onderhandelingen tussen partijen, heeft hij ter zitting voldoende toegelicht waarom hij wil dat [minderjarige] de vaccinaties krijgt. Hij is zelf gevaccineerd en zijn hele familie ook. De vrees van vader dat [minderjarige] via zijn moeder die op een kinderdagverblijf werkt besmet kan worden is niet ongegrond. Dat deze vordering enkel is gebaseerd op rancuneus handelen van de vader of om zijn gezag te misbruiken is niet gebleken. Daarentegen heeft de moeder in het kader van een belangenafweging onvoldoende toegelicht waarom zij meent dat niet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma in het belang van [minderjarige] is. De moeder heeft met name gezegd dat zij het spannend vindt als [minderjarige] wordt gevaccineerd omdat zij meent dat [minderjarige] extra gevoelig is voor infecties. De moeder wacht daarom liever tot [minderjarige] zes jaar oud is, als haar immuunsysteem sterker is. De moeder heeft hierover overleg gehad met de kinderarts, die volgens de moeder haar keuze zou begrijpen, maar deze niet tot de hare heeft gemaakt. Verder heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat er medische redenen zijn waarom het beter zou zijn om [minderjarige] (nog) niet te vaccineren.
4.6. De deelname aan het rijksvaccinatieprogramma door kinderen, is onder een grote meerderheid van de bevolking, gangbaar omdat dit in hun belang wordt geacht. Het vaccinatieprogramma is immers van overheidswege opgesteld ter bescherming van kinderen tegen diverse (ernstige) aandoeningen. De heersende leer is dat het vaccinatieprogramma voldoet en dat deelname daaraan geen wezenlijke risico's met zich meebrengt. Tegenover de gezondheidswinst van het vaccineren staat een klein risico op ernstige bijwerkingen. Gelet op het voorgaande wordt deelname aan het rijksvaccinatieprogramma in het belang geacht van [minderjarige] en daarom zal vervangende toestemming, die de toestemming van de moeder vervangt, voor de vaccinaties worden verleend.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. verleent de vader vervangende toestemming (die in de plaats komt van de toestemming van de moeder) om in de periode van [datum 1] 2025 tot en met [datum 2] 2025 met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , met vakantie te gaan naar [plaats 1] en [plaats 2] (Marokko),
5.2. beveelt de moeder het paspoort van [minderjarige] tijdig vóór [datum 1] 2025 aan de vader af te geven zodat hij in de voorgenoemde reisperiode met [minderjarige] naar Marokko kan reizen,
5.3. veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.2 voldoet, tot een maximum van € 1.000,00 is bereikt,
5.4. verleent de vader vervangende toestemming (die in plaats komt van de toestemming van de moeder) om [minderjarige] vanuit het Rijksvaccinatieprogramma te laten vaccineren voor alle van belang zijnde vaccinaties voor [minderjarige] , zoals uit het rijksprogramma volgt en geadviseerd wordt, waaronder doch niet uitsluitend, de veertien maanden, drie jaar, vijf jaar, tien jaar en veertien jaar vaccinaties,
5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2025.[1]
type: EvK
coll: BB - - - ## Voetnoten