Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7473 - Rechtbank Amsterdam - 2 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7473•2 oktober 2025
Uitspraak inhoud
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/774262 / FA RK 25/6250
kenmerk: ZM/IND/175083
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 2 oktober 2025van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
zorgaanbieder: Arkin,
hierna te noemen: betrokkene.
1 Procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2025.
1.2. Op 8 september 2025 heeft de eerste zitting plaatsgevonden. De behandeling is aangehouden zodat de rechtbank nogmaals rechtsbijstand aan betrokkene kan toevoegen. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat opnieuw wordt geprobeerd een onafhankelijk psychiater betrokkene te laten beoordelen. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is een raadsman, mr. J.W. Plantema, aan betrokkene toegevoegd en is het volgende stuk aan het dossier toegevoegd: - het bericht van mw. M. Rozendal, psychiater, van 17 september 2025.
1.3. De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 september 2025. Aan betrokkene is reeds rechtsbijstand toegevoegd. Betrokkene heeft deze juridische bijstand van de aan hem toegevoegde advocaat geweigerd. De zitting is voortgezet zonder advocaat. Betrokkene heeft tijdens de zitting een verzoek tot wraking ingediend tegen de behandelend rechter (mr. E. Dinjens) vanwege partijdigheid van de rechter. Daarop is de behandeling van het verzoekschrift geschorst totdat op het wrakingsverzoek is beslist.
1.4. Het wrakingsverzoek is niet ontvankelijk verklaard, waarna de behandeling van het verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) is voortgezet op 2 oktober 2025, in het gebouw van de rechtbank.
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord: - betrokkene; - mw. W.M. Rouwenhorst, psychiater; - mw. [naam 1] , arts; - dhr. [naam 2] , verpleegkundige.
Bij de mondelinge behandeling zijn twee medewerkers van de BB&V aanwezig.
Betrokkene begon bij aanvang van de mondelinge behandeling al zijn standpunt kenbaar te maken. Dit standpunt heeft hij meerdere keren herhaald. De rechter heeft geprobeerd een gesprek met betrokkene en de hulpverleners aan te gaan maar werd telkens onderbroken door betrokkene. De rechter heeft betrokkene meermaals gewezen op het punt dat betrokkene de rechter en de hulpverleners moet laten uitpraten zonder te interrumperen. Ondanks meerdere waarschuwingen lukte dit betrokkene niet. Nadat betrokkene nogmaals zijn standpunt naar voren had gebracht heeft de rechter besloten betrokkene te laten verwijderen uit de zaal.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2 Beoordeling
Standpunt van betrokkene
2.1. Ter zitting heeft betrokkene aangegeven dat hij nog steeds vindt dat zijn recht geschonden is omdat hij geen advocaat heeft en dat hij het dossier niet heeft kunnen voorbereiden.
2.2. Op grond van art. 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene, indien niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft. Een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepaling, in verbinding met art. 1:7 lid 3 Wvggz en art. 38 Sv, brengt mee dat indien de betrokkene te kennen geeft niet meer door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst.
2.3. Betrokkene heeft voor de zitting op 8 september 2025 mr. P. Jeeninga toegevoegd gekregen als raadsman. Betrokkene heeft voor de zitting al de juridische bijstand van de toegevoegde raadsman geweigerd. Vervolgens is voor de zitting van 22 september 2025, aan betrokkene de mogelijkheid geboden om zelf een raadsman te kiezen. Omdat betrokkene geen gehoor heeft gegeven aan dit verzoek is nogmaals door de rechtbank een raadsman toegevoegd aan betrokkene, mr. J.W. Plantema. Ter zitting heeft betrokkene aangegeven zijn advocaat gesproken te hebben maar dat hij afstand heeft gedaan van de juridische bijstand van de aan hem toegevoegde advocaat. De rechtbank heeft betrokkene tweemaal een advocaat toegewezen en ook zelf een keuze laten maken voor een advocaat maar daar heeft hij geen gehoor aan gegeven. Gelet hierop heeft de rechtbank de zitting voortgezet op 2 oktober 2025 zonder bijstand van een raadsman aan betrokkene. Bij de oproep voor deze zitting is betrokkene gewezen op het recht om zelf een advocaat naar keuze te raadplegen en te betrekken bij de behandeling van het verzoek.
Het verzoekschrift is ingediend op 18 augustus 2025 bij de rechtbank. Betrokkene heeft sindsdien de tijd gehad om kennis te nemen van de stukken. Aan het verweer dat hij de zitting onvoldoende heeft kunnen voorbereiden gaat de rechtbank voorbij, nu betrokkene ruim 6 weken de tijd heeft gehad om de zitting voor te bereiden.
Inhoudelijke beoordeling
2.4. Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofrenie, obsessief-compulsieve stoornis, vermoeden van autismespectrumstoornis.
2.5. Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in: ernstige psychische schade, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
2.6. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.7. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk voor de duur van zes maanden:
2.8. De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.9. Hetgeen door betrokkene als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.
2.10. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden.
3 Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , inhoudende dat gedurende de looptijd van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.4 genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 2 april 2026.
Deze beschikking is op 2 oktober 2025 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. E. Dinjens, rechter, bijgestaan door D.L. Overduin als griffier en op 6 oktober 2025 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.