Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:7429 - Rechtbank Amsterdam - 2 januari 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:74292 januari 2025

Uitspraak inhoud

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/760060 / FA RK 24-8078 en
C/13/760054 FA RK 24-8074 (JK/KL)
Beschikking van 2 januari 2025 betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna mede te noemen de vader,
advocaat mr. R. Croes-Bleijendaal te Heerhugowaard,
tegen
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna mede te noemen de GI of WSS.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
  1. [pleegouder 1]
en
  1. [pleegouder 2]
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
hierna mede te noemen: de pleegouders.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,regio [locatie] ,locatie [locatie] ,hierna te noemen: de Raad.
Als informant is aangemerkt:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
Pleegzorg Leger des Heils Oost,
gevestigd te Apeldoorn,
hierna te noemen: het Leger des Heils.

1 De procedure

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Mr. Croes-Bleijendaal voert aan dat het verweerschrift van de WSS buiten beschouwing dient te blijven wegens strijd met de goede procesorde. Zij voert daartoe aan dat zij het verweerschrift op de ochtend van de dag van de mondelinge behandeling heeft ontvangen en dat zij daardoor onvoldoende in staat is geweest om dit met de vader te bespreken. De rechtbank begrijpt het bezwaar van mr. Croes-Blijendaal maar is van oordeel dat het verweerschrift van belang is voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Om deze reden zal de rechtbank het verweerschrift in de beoordeling betrekken. Deze beslissing is tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld.
1.2. De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 19 december 2024.
Gehoord zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de pleegouders; - mevrouw [naam 1] van de WSS; - mevrouw [naam 2] van het Leger des Heils; - mevrouw [naam 3] van het Leger des Heils.

2 De feiten

2.1. De vader heeft een relatie gehad met de moeder, [de moeder] . Uit de relatie is het navolgende minderjarige kind geboren:
[minderjarige],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2021 (hierna: [minderjarige] of de minderjarige).
2.2. De moeder stond ten tijde van de geboorte van [minderjarige] onder curatele en was daardoor onbevoegd tot het ouderlijk gezag.
2.3. Bij beschikking van 26 januari 2022 van de rechtbank Gelderland is de WSS belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .
2.4. [minderjarige] is sinds 28 januari 2022 uit huis geplaats en woont bij de pleegouders.
2.5. Bij beschikking van 6 februari 2024 is de WSS belast met de voogdij over [minderjarige] .
Bij beschikking van 6 februari 2024 heeft de rechtbank Gelderland de vader (vervangende) toestemming verleend tot de erkenning van [minderjarige] . Deze erkenning heeft inmiddels plaatsgevonden.

3 Het verzoek

3.1. De vader verzoekt de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding:
I. te bepalen dat er tussen de vader en [minderjarige] de navolgende omgangsregeling heeft te gelden:
a. eerste vier weken na de beschikking: eens per drie weken gedurende drie uur, waarvan het eerste en laatste halfuur onder begeleiding;
b. vierde tot en met achtste week na de beschikking: eens per drie weken gedurende zes uur in de omgeving van pleegouders, zonder begeleiding;
c. achtste tot en met twaalfde week na de beschikking: eens per twee weken gedurende acht uur bij vader thuis;
d. twaalfde tot en met achttiende week na de beschikking: eens per twee weken vanaf zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur;
e. achttiende tot en met vierentwintigste week na de beschikking: eens per twee weken vanaf zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur.
3.2. De WSS voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel het verzoek af te wijzen.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid
4.1. Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavig verzoek kennis te nemen. Ingevolge artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de woonplaats van de minderjarige dezelfde als de woonplaats van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent. De WSS, gevestigd te Amsterdam, is belast met de voogdij over [minderjarige] . Om die reden is in de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd om van het verzoek van de vader kennis te nemen.
Provisionele voorziening
4.2. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad, 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.3. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het onderhavige verzoek aan de criteria van artikel 223 Rv is voldaan, zodat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek.
4.4. Bij de beantwoording van de vraag of plaats is voor toewijzing van het verzoek in het kader van een voorlopige voorziening als bedoeld in het eerste lid van artikel 223 Rv dient de rechter allereerst te onderzoeken of een voldoende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechter dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.5. De vader stelt het in het belang van [minderjarige] is dat er zo snel mogelijk wordt gewerkt aan een uitbreiding van de omgang. Op dit moment is er eens in de drie weken onder begeleiding omgang gedurende anderhalf uur. Deze regeling loopt al meer dan een half jaar. De vader is over een uitbreiding met de voogd en de pleegouders in overleg getreden, maar er is voor de vader tot op heden geen zicht op een uitbreiding. Dit terwijl de voogd eerder had aangekaart daar met de vader naar te gaan kijken. De vader stelt dat hij voor de uitbreiding van de omgang niet de bodemprocedure kan afwachten. Nu hij afhankelijk is van de voogd en pleegouders, en zij niet meewerken aan een uitbreiding, zou dit betekenen dat hij nog voor een lange tijd [minderjarige] (slechts) eens in de drie weken ziet. De vader heeft er daarom belang bij dat er voor de duur van het geding een voorlopige uitbreiding van de omgangsregeling wordt vastgelegd. Volgens de vader is het namelijk belangrijk voor de band tussen hem en [minderjarige] dat zij elkaar vaker en voor een langdurigere periode zien.
4.6. De WSS heeft een voorstel tot uitbreiding van de omgang tussen de vader en [minderjarige] gedaan, waarbij gestart wordt met een omgang van 3 uur per drie weken. Hierbij zou er volgens de WSS gekeken kunnen worden of er activiteiten buitenshuis ondernomen kunnen worden met vader en [minderjarige] , zoals een bezoek aan de kinderboerderij. De WSS merkt op dat het van belang is om te onderzoeken hoe en op welke manier de pleegouders af en toe een stapje terug zouden kunnen doen. Het is dan van groot belang dat gemonitord wordt door een onafhankelijke partij hoe [minderjarige] omgaat met de afwezigheid van haar pleegouders en of [minderjarige] ook een veilig contact kan hebben met haar vader zonder de aanwezigheid van pleegouders. Er wordt in eerste instantie niet toegewerkt naar onbegeleide omgang. Het is dan ook van belang met elkaar een evaluatie te plannen na drie maanden na de ingang van de nieuwe omgangsregeling. Hierbij is het doel van de evaluatie ook het maken van nieuwe afspraken en kijken of er uitbreidingmogelijkheden zijn en welke dit zijn.
4.7. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de vader, de WSS en pleegouders voorlopige afspraken over de omgang gemaakt. Deze afspraak is een uitbreiding van de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . De vader zal eens per twee weken twee uur omgang hebben met [minderjarige] . Alle partijen vinden het belangrijk dat deze uitbreiding van de omgang gemonitord wordt. Ook zijn alle partijen het eens met het hierboven opgenomen voorstel van de WSS, met dien verstande dat de omgang om de twee weken voor twee uur plaats zal vinden. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich aan deze afspraak zullen houden.
4.8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader tot het treffen van een provisionele voorziening afwijzen, wegens gebrek aan voldoende belang bij de voorziening.
Raad voor de Kinderbescherming
4.9. Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen de vader, de WSS, het Leger des Heils en ook pleegouders het een goed plan vinden, althans er geen bezwaar tegen hebben, als de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) een onderzoek zal starten naar [minderjarige] , waarbij de Raad tevens aandacht zal besteden aan de aspecten die in de bodemprocedure aan de orde zijn, te weten de verzoeken van de vader hem te belasten met het gezag over [minderjarige] en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.
4.10. Gelet op het voorgaande - en omdat ook de rechtbank een raadsonderzoek een goed plan vindt - verzoekt de rechtbank de Raad een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen omtrent – in ieder geval – de volgende vragen, waarbij in het bijzonder aandacht moet zijn voor de opvoedvaardigheden van de vader en voor de opvoedbehoeftes van [minderjarige] :
4.11. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:
In de procedure provisionele voorzieningen C/13/760060 / FA RK 24-8078
    *:*
5.1. wijst het verzoek af.
In de bodemprocedure C/13/760054 FA RK 24-8074
      *:*
5.2. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming ten aanzien van het gezag en de (hoofd)verblijfplaats een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de hierboven onder 4.10 vermelde vragen en de rechtbank ter zake te adviseren;
5.3. bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze beschikking aan voornoemde Raad zal toezenden;
5.4. bepaalt dat de behandeling omtrent de verzoeken over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregelingpro forma worden aangehouden tot 2 september 2025. De Raad dient de rechtbank voor deze datum zijn advies te doen toekomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K.E. Luijckx, griffier, op 2 januari 2025.