Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:7417 - Rechtbank Amsterdam - 3 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:74173 oktober 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **AMSTERDAM**
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11590881 \ CV EXPL 25-4277
Vonnis van 3 oktober 2025
in de zaak van

1 [eiser 1] ,

  1. [eiser 2],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisers in de vordering (conventie),
verweerders in de tegenvordering (reconventie),
gemachtigde: mr. P. Thole,
tegen

1 [gedaagde 1] ,

  1. [gedaagde 2],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagden,
eisers van de tegenvordering,
gemachtigde: mr. D.B. den Hartog.
De kantonrechter noemt partijen hierna [eiser 1] , [eiser 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1. In het dossier zitten: - de dagvaarding van 11 februari 2025, met producties, - de conclusie van antwoord met tegenvordering, met producties, - de conclusie van antwoord op de tegenvordering, met producties, - het tussenvonnis van 2 mei 2025 waarin de kantonrechter de mondelinge behandeling heeft bepaald, - de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 2 september 2025.
1.2. De kantonrechter heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.

2 De feiten

2.1. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de woning aan de [adres] (hierna: de woning) van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gekocht. Zij hebben de koopovereenkomst op 27 december 2018 gesloten en de woning is op 18 april 2019 geleverd.
2.2. Na de levering hebben [eiser 1] en [eiser 2] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] meegedeeld dat er sprake is van wateroverlast in de woonkamer door een lekkage in de badkamer.
2.3. [eiser 1] en [eiser 2] hebben op 8 augustus 2019 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke gesteld voor gebreken aan de whirlpool en de overheaddeur, verstopping van de afvoer en wateroverlast in het souterrain door een mankement aan de riolering. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de gestelde gebreken niet hersteld binnen de geboden termijn van dertig dagen.
2.4. Daarna hebben [eiser 1] en [eiser 2] op 18 oktober 2019 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd om de herstelkosten van de gebreken, zoals zij die hebben begroot, binnen veertien dagen te betalen.
2.5. [eiser 1] en [eiser 2] hebben een bouwkundig adviseur van Octa Adviseurs (hierna: Octa) onderzoek laten doen naar de gestelde gebreken. In het rapport van 16 januari 2020 concludeert Octa dat sprake is van gebreken waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op de hoogte moeten zijn geweest. Octa begroot de totale herstelkosten op € 9.522,70.
2.6. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben laten weten zich niet aansprakelijk te voelen voor de gestelde gebreken en zij hebben niets betaald.

3 Het geschil

de vordering van [eiser 1] en [eiser 2]
3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] € 9.522,70 betalen aan hoofdsom en € 1.029,87 aan buitengerechtelijke kosten. Verder vorderen zij dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten worden veroordeeld. Een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. [eiser 1] en [eiser 2] willen de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de woning die zij van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gekocht gebreken had. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de gebreken niet gemeld aan [eiser 1] en [eiser 2] . Daarmee hebben zij in strijd gehandeld met hun contractuele mededelingsplicht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn daarom tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. [eiser 1] en [eiser 2] waren niet op de hoogte van de gebreken en hebben deze dus ook niet aanvaard. De woning is door de gebreken non-conform omdat de woning niet normaal gebruikt kan worden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] weigerden de gebreken te herstellen. Zij moeten daarom de herstelkosten vergoeden. Ook stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat zij hebben gedwaald doordat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hen niet hebben verteld over de gebreken. Als zij daarvan op de hoogte waren geweest, hadden ze de koopovereenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden gesloten. Zij vorderen daarom op grond van artikel 6:230 BW de overeenkomst te wijzigen in die zin dat het nadeel in verband met de dwaling wordt opgeheven.
3.3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer, waarop hierna wordt ingegaan.
de tegenvordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
3.4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen [eiser 1] en [eiser 2] te veroordelen in de werkelijke proceskosten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] willen de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
3.5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat zij ernstige hinder ondervinden van het herhaaldelijk procederen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zonder dat er nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden zijn. De kantonrechter en (in hoger beroep) het Hof Amsterdam hebben al een uitspraak gedaan in deze zaak. [eiser 1] en [eiser 2] hebben exact dezelfde dagvaarding ingediend als bij de eerdere procedure. Zij hebben in de procedure die nu speelt verzuimd om te vermelden dat over deze vorderingen eerder is geprocedeerd en dat de vordering in twee instanties is afgewezen.
3.6. [eiser 1] en [eiser 2] voeren verweer, waarop hierna wordt ingegaan.

4 De beoordeling

de vordering van [eiser 2] en [eiser 1]
4.1. Partijen verschillen van mening over de vraag of de woning voldeed aan de koopovereenkomst op het moment van de overdracht. Voordat de kantonrechter er aan toekomt deze vraag te behandelen, gaat zij eerst in op de meest verstrekkende, formele, verweren van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Deze verweren slagen niet. De kantonrechter licht dit oordeel hierna toe.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben belang bij de vordering
4.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren in de eerste plaats als verweer aan dat [eiser 1] en [eiser 2] geen belang hebben bij deze procedure omdat over dezelfde feiten al een rechtszaak is gevoerd en de vordering onherroepelijk is afgewezen. Het is in strijd met de beginselen van behoorlijke rechtspleging om dezelfde vordering weer voor de rechter te brengen, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser 1] en [eiser 2] betwisten dit.
4.3. De kantonrechter stelt voorop dat in het algemeen geldt dat als een rechter heeft beslist op een vordering en partijen een ander oordeel willen krijgen over die vordering, dat alleen kan door het instellen van een rechtsmiddel (hoger beroep of cassatie). Maar in dit geval heeft er nog geen rechter inhoudelijk beslist op de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] .
4.4. In de eerdere rechtszaak heeft de kantonrechter de vordering van [eiser 1] afgewezen omdat uit de dagvaarding blijkt dat [eiser 1] de vordering alleen voor zichzelf heeft ingesteld, terwijl hij samen met [eiser 2] eigenaar is van de woning. Dat kon volgens de kantonrechter niet. Het gerechtshof overweegt ook dat een vordering tot betaling van een vordering aan één deelgenoot, terwijl de vordering toebehoort aan de gemeenschap, niet kan slagen. Het gerechtshof heeft [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Doordat de vordering niet op de juiste manier was ingestoken, is deze niet inhoudelijk beoordeeld. [eiser 1] en [eiser 2] mogen daarom dezelfde vordering, nu op de juiste wijze, ten behoeve van (beide deelgenoten van) de gemeenschap, opnieuw voorleggen aan de kantonrechter.
4.5. [eiser 1] en [eiser 2] hebben nog altijd belang bij de inhoudelijke beoordeling van hun vordering. Dat geen belang bij een vordering bestaat, mag niet te snel worden aangenomen, want zo'n oordeel ontneemt een partij alle mogelijkheden om zijn vordering door de rechter beoordeeld te zien. Over het algemeen kan dan ook worden verondersteld dat iemand daarbij voldoende belang heeft en de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geschetste omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie dat dit hier anders is.
De klachtplicht is niet geschonden en de vordering is niet verjaard
4.6. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat de vordering is verjaard omdat de levering van de woning zeven jaar geleden heeft plaatsgevonden. De verjaringstermijn van artikel 3:310 en 7:23 is dus voltooid. [eiser 1] en [eiser 2] hebben bovendien na de levering niet op tijd geklaagd over gebreken. Door niet tijdig te reclameren hebben [eiser 1] en [eiser 2] hun rechten verwerkt, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser 1] en [eiser 2] betwisten deze stellingen en voeren aan dat zij meteen nadat zij de verschillende gebreken ontdekten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarvan op de hoogte hebben gebracht. Verder stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat zij de verjaring telkens hebben gestuit.
4.7. De kantonrechter stelt voorop dat op de koopovereenkomst artikel 7:23 BW van toepassing is. Daarin staat dat de koper binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt, dat moet melden. De levering heeft plaatsgevonden op 18 april 2019. Uit de overgelegde Whatsapp berichten blijkt dat [eiser 1] en [eiser 2] dezelfde dag nog gemeld hebben dat er water uit het plafond in de woonkamer loopt. Daarna hebben partijen contact gehad via e-mail. Uit de e-mails blijkt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] klagen over verschillende gebreken: lekkage van whirlpooljets, losliggende tegels, lekkage in de woonkamer en de kapotte garagedeur (overheaddeur). [eiser 1] en [eiser 2] hebben hierover dus op tijd geklaagd. Dat geldt ook voor de problemen met het riool. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dit ontdekt in juni 2019 en daarover geklaagd in de ingebrekestelling van 8 augustus 2019. Dat hebben zij volgens de kantonrechter op tijd gedaan. Bovendien is bij de beoordeling van dit verweer ook van belang of (en op welke wijze) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door het gestelde late klagen en het tijdsverloop in hun belangen zijn geschaad. Hierover hebben zij niets gesteld.
4.8. In artikel 7:23 BW staat ook dat vorderingen gebaseerd op gebreken verjaren twee jaar nadat de koper heeft geklaagd over de gebreken. Nadat [eiser 1] en [eiser 2] in april 2019 hebben geklaagd over gebreken, hebben zij in augustus 2019 een ingebrekestelling gestuurd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hun aansprakelijkheid voor de gebreken afgewezen, waarop de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] op 30 januari 2020 een sommatie heeft gestuurd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hieraan geen gehoor gegeven. Daarop zijn [eiser 1] en [eiser 2] op 12 januari 2021 een rechtszaak begonnen. Dat is binnen twee jaar na de kennisgeving van de gebreken. De rechtszaak is geëindigd met het arrest van het gerechtshof van 10 oktober 2023. Tussen dit arrest en de dagvaarding in deze zaak zit ook minder dan twee jaar. De verjaringstermijn is dus door de verschillende handelingen van [eiser 1] en [eiser 2] telkens gestuit en de vordering is niet verjaard. Ook dit verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] slaagt dus niet.
De woning voldoet niet aan de koopovereenkomst
4.9. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de woning meerdere gebreken heeft waardoor de woning niet voldoet aan de koopovereenkomst. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat.
4.10. De kantonrechter behandelt hierna de gestelde gebreken apart van elkaar. Daarbij geldt de norm dat een zaak niet voldoet aan de overeenkomst als zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.[1]
De overheaddeur
4.11. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de overheaddeur niet goed open kan en dat dit op de dag van de levering al zo was. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat het gebrek aan de overheaddeur aan de kopers is meegedeeld. Dat wordt onderbouwd met een verklaring van hun makelaar.
4.12. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 1] gezegd dat tijdens de eerste bezichtiging er zaken voor de overheaddeur stonden, maar dat bij de tweede bezichtiging (op de dag van de levering) de overheaddeur bereikbaar was. Zij hebben toen geprobeerd de overheaddeur te openen maar dat lukte niet goed, aldus [eiser 1] . [eiser 1] en [eiser 2] wisten dus dat de overheaddeur niet naar behoren functioneerde op het moment van de levering van de woning en hebben dat (kennelijk) geaccepteerd. Er is daarom geen sprake van non-conformiteit van de woning op dit punt. Ongeacht of de makelaar heeft gemeld dat de overheaddeur niet open kan, wat [eiser 1] en [eiser 2] betwisten, is geen sprake van schending van de mededelingsplicht. Het was immers niet nodig om [eiser 1] en [eiser 2] hierover in te lichten omdat ze tijdens de tweede bezichtiging zelf hebben ervaren dat de overheaddeur niet openging. Bovendien sluit de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij erop gewezen hebben dat de deur niet goed open kon, hierbij aan. Hun makelaar heeft dit, zo blijkt uit een door hen ingediende productie, expliciet bevestigd. De blote betwisting hiervan door [eiser 1] en [eiser 2] legt onvoldoende gewicht in de schaal. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn dus niet aansprakelijk voor kosten van herstel van de overheaddeur. Onder deze omstandigheden is ook geen sprake van dwaling, zodat op die grond de overeenkomst niet kan worden gewijzigd zoals gevorderd.
De riolering
4.13. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de riolering verstopt was waardoor afvoerwater slecht doorstroomde. De verstopping leidde ertoe dat als er meermaals wordt doorgespoeld, de toiletten en wasbakken overstromen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dit. Volgens hen heeft [gedaagde 1] tot de levering in de woning gewoond en was er niets mis met de afvoer van leidingwater.
4.14. [eiser 1] en [eiser 2] onderbouwen hun stelling met het deskundigenrapport van Octa. Daarin staat: "Het probleem van de verstopping van de riolering is een proces wat jaren duurt. (…) De inmiddels verwijderde riolering aan het plafond van het souterrain was compleet verstopt en compleet aangekoekt met voornamelijk urinesteen en fecaliën, met als gevolg dat de toiletten en de afvoeren in de badkamer langzaam doorlopen. Tijdens een enkele spoelbeurt van het toilet is er niets waarneembaar omdat dit afvoerwater zich in de standleiding kan ophopen en dan langzaam doorstroomt. Tijdens volgende spoelbeurten wordt duidelijk dat de riolering slecht doorloopt waardoor de toiletten en wasbakken overstromen."
4.15. De kantonrechter is van oordeel dat er op dit punt geen sprake is van een gebrek. Uit deze passage blijkt dat het water nog wel doorliep, zij het langzaam. Er was dus op het moment van levering geen sprake van een volledig verstopte afvoer of standleiding die normaal gebruik in de weg stond. Dat in de loop van de tijd vuil aankoekt aan de binnenkant van de riolering is een algemeen bekend gegeven. Dat dit uiteindelijk kan leiden tot verstopping van de leiding als geen onderhoud wordt gepleegd ook. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezegd dat zij de woning 13 jaar geleden hebben gebouwd. [eiser 1] en [eiser 2] mochten er dus niet zomaar van uitgaan dat op dit punt geen onderhoud nodig zou (kunnen) zijn.
4.16. Ook schrijft de deskundige dat van het aangekoekt vuil in de leiding bij een enkele spoelbeurt niets waarneembaar is, omdat het water langzaam doorstroomt. Het is daarom, gezien de betwisting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , niet komen vast te staan dat zij hiervan op de hoogte waren. Zij zijn daarom, als een aangekoekte riolering al is aan te merken als een gebrek, niet tekortgeschoten in hun mededelingsplicht. De kantonrechter heeft oog voor het ongemak dat [eiser 1] en [eiser 2] hebben ondervonden, maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet aansprakelijk voor de herstelkosten van de riolering.
4.17. Er is geen sprake van dwaling omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terecht stellen dat zij niet hadden hoeven te begrijpen dat de omstandigheid dat de riolering op enig moment zou moeten worden ontstopt, voor [eiser 1] en [eiser 2] van doorslaggevende betekenis was om de woning te kopen. Voor zover zij wel op de hoogte waren van een vernauwing in de riolering, hoefden zij [eiser 1] en [eiser 2] hierover niet in te lichten, omdat – zoals gezegd – het eventuele aankoeken van vuil in de riolering en de mogelijke noodzaak van onderhoud feiten zijn van algemene bekendheid. De overeenkomst kan dus niet worden gewijzigd op deze grond.
Wateroverlast souterrain
4.18. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat tijdens hevige regenval het souterrain onder water is komen te staan doordat er geen keerklep is geplaatst in de riolering. Het ontbreken van de keerklep is volgens hen een gebrek. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten hiervan op de hoogte zijn geweest, want aftekeningen op de wanden van het toilet wekken de indruk dat het souterrain eerder is overstroomd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dit. De eerdere wateroverlast in het souterrain had een andere incidentele oorzaak: [gedaagde 1] gebruikte het souterrain als werkplaats en volgens hem heeft een installatie die hij daarbij gebruikte gelekt.
4.19. Het ontbreken van een keerklep is geen gebrek, omdat dit het normale gebruik van de woning niet in de weg staat. De lekkage in het souterrain trad voor het eerst op na hevige regenval. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat eerder al sprake is geweest van lekkage in het souterrain en geven een plausibele alternatieve verklaring voor de aftekeningen op de wanden van het toilet. Het is daarom niet vast komen te staan dat het souterrain eerder is ondergelopen door het ontbreken van een keerklep. Dat is dus een uitzonderlijke situatie geweest. Daarbij komt dat Octa aangeeft dat er geen verplichting bestaat om een keerklep in de riolering te hebben. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren dus ook niet verplicht om mee te delen dat er geen keerklep aanwezig was in de riolering. Zij zijn daarom niet aansprakelijk voor de kosten van het aanbrengen van een keerklep.
4.20. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen geen beroep doen op dwaling omdat, onder de hiervoor genoemde omstandigheden, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierover geen mededelingen hoefden te doen (als zij zich al bewust waren van het ontbreken van een keerklep). Ook hoefden zij niet te begrijpen dat [eiser 1] en [eiser 2] bij het ontbreken van een keerklep de woning alleen voor een lagere koopprijs zouden kopen. De overeenkomst kan dus niet worden gewijzigd op deze grond.
Lekkage whirlpool en wateroverlast in woonkamer
4.21. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat gebreken aan de whirlpool in de badkamer van de woning hebben geleid tot ernstige lekkages in de woonkamer. Volgens hen waren de jets van de whirlpool eerder gelijmd maar waren een aantal jets (weer) gaan lekken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten hiervan geweten hebben. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dit. Zij hebben de whirlpool lange tijd niet gebruikt, maar de laatste keer dat hij is gebruikt, werkte hij naar behoren. De jets hebben nooit eerder gelekt en deze zijn niet gelijmd, dus daarover konden ze niets meedelen. Bovendien bleek tijdens de laatste bezichtiging dat enkele jets het niet deden. [eiser 1] en [eiser 2] waren hiervan dus al op de hoogte voor de levering en dat was voor hen geen aanleiding om terug te komen op de afgesproken prijs.
4.22. [eiser 1] en [eiser 2] hebben voldoende duidelijk gemaakt dat de lekkage het gevolg was van de whirlpool. Ze hebben het bad laten vollopen bij de levering en nog diezelfde dag stuurt [eiser 1] een bericht aan [gedaagde 1] dat er water uit het plafond loopt. [eiser 1] heeft verklaard dat hij het inspectieluik van de whirlpool toen openmaakte en het water uit de jets zag lopen. De lekkage van de whirlpool met als gevolg wateroverlast in de woonkamer is een gebrek dat het normaal gebruik van de woning in de weg staat. Dit laatste is ook niet door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] weersproken. Dit gebrek bestond op het moment van de levering van de woning. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn op dit punt dus tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zij hebben dit niet laten herstellen. Zij moeten daarom de kosten van het herstel van het gebrek vergoeden.
De kosten van herstel
4.23. Octa heeft de kosten van het herstellen van het gebrek aan de whirlpool begroot op € 2.468,40. De kosten zien op: inspectie lekkage, vervangen van de jets, levering jets en arbeid timmerman/tegelzetter. Deze kosten komen de kantonrechter realistisch voor. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de kosten van de jets op een veel lager bedrag geraamd, maar zij hebben alleen kosten van het aanschaffen van een paar jets en arbeidsloon gerekend. Vervanging van enkele jets is echter niet genoeg om het gebrek volledig te herstellen. Timmer - en tegelwerk verklaart ook grotendeels het hogere aantal werkuren zoals begroot door Octa. De kantonrechter wijst daarom het gevorderde bedrag toe.
De rente
4.24. De kantonrechter wijst de gevorderde rente toe met ingang van 7 september 2019 omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] sinds die datum in verzuim zijn door het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.25. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser 1] en [eiser 2] hebben aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld en ten onrechte is vermeld dat de veertiendagentermijn aanvangt na heden in plaats van de dag na aanmaning. De kantonrechter wijst daarom de vergoeding af.
De proceskosten
4.26. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] krijgen deels ongelijk en moeten daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] op: - dagvaarding € 147,81 - griffierecht € 257, - __ - salaris gemachtigde € 102, - (2 × € 204, - naar verhouding van het toegewezen bedrag)__
Totaal € 506,81
de tegenvordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Geen reële proceskostenveroordeling
4.27. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben [eiser 1] en [eiser 2] in strijd gehandeld met artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat zij niet gemeld hebben dat [eiser 1] dezelfde vordering al eerder had ingesteld en dat hij ongelijk had gekregen bij de kantonrechter en het gerechtshof.
4.28. Volgens artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Omdat de kantonrechter en het gerechtshof in de eerdere rechtszaak zich niet inhoudelijk hebben uitgelaten over de vordering en de grondslag ervan, zoals overwogen in 4.3, is het feit dat er een eerdere rechtszaak is gevoerd niet van belang voor deze beslissing. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dus niet in strijd met artikel 21 Rv gehandeld. [eiser 1] en [eiser 2] worden bovendien gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Een (reële) proceskostenveroordeling is dan niet op zijn plaats.
De proceskosten
4.29. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook in de proceskosten van de tegenvordering omdat hun vordering wordt afgewezen. Die kosten worden begroot op: € 41, - (0,5 punten × tarief € 82,-). De kantonrechter past hierbij een korting van 0,5 punt toe omdat de vordering en de tegenvordering zozeer met elkaar zijn verweven.
de nakosten en rente
4.30. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten ook de nakosten betalen van € 67,50 plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
4.31. De kantonrechter wijst ten slotte de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten ook toe.

5 De beslissing

De kantonrechter
in de vordering
5.1. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om € 2.468,40 te betalen aan [eiser 1] en [eiser 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek met ingang van 7 september 2019 tot de dag van volledige betaling;
5.2. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 506,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in de tegenvordering
5.3. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten van € 41,00;
in de vordering en tegenvordering
5.4. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de nakosten van € 67,50. Als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op tijd aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.5. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten en de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, tot de dag van volledige betaling;
5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7. wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Zie artikel 7:17 BW. - - - ## Voetnoten
Zie artikel 7:17 BW.