Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7396 - Rechtbank Amsterdam - 1 april 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7396•1 april 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**AMSTERDAM**
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11272986 \ CV EXPL 24-10945
Vonnis van 1 april 2025
in de zaak van
RAPPANGE ADMINISTRATIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Rappange,
gemachtigde: mr. E.W. Baart,
tegen
1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. P. Molenmaker (ARAG Rechtsbijstand),3.ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN AAN HET ADRES [adres],
niet verschenen,
gedaagde partijen.
Gedaagde partijen zullen hierna gezamenlijk gedaagden en ieder afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en de andere bewoners worden genoemd.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 8 augustus 2024, met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - het instructievonnis van 5 november 2024; - de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2025. Namens Rappange zijn [naam 1] (manager afdeling onderhoud) en [naam 2] (extern ingeschakeld onderzoeker) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. De andere bewoners zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht, waarbij Rappange gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1. Op 1 februari 2013 is tussen Rappange als verhuurder en [gedaagde 1] als huurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). Het gehuurde betreft een tweekamerappartement met één slaapkamer. In de huurovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende bepaald (vetgedrukt zoals in de huurovereenkomst):
"10.2 Het is huurderniettoegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk door derden te laten gebruiken, of aan derden in onderhuur af te geven. Tevens mag huurder geen andere personen bij zich doen inwonen dan die rechtstreeks tot zijn gezin behoren. (…)
10.10 Het is huurder zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder onder geen enkele omstandigheid toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk (mede) door en of meer derden te laten gebruiken of geheel of gedeeltelijk aan een of meer derden onder te verhuren of te doen onderverhuren (…).
10.11 Het is huurder zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder onder geen enkele omstandigheid te toegestaan het gehuurde (mede) te doen bewonen door anderen dan zij die rechtstreeks tot het gezin van huurder behoren (…)."
en
"Hoofdverblijf
De huurder heeft de verplichting om het gehuurde als goed huurder en overeenkomstig de contractuele bestemming te gebruiken.
De huurder van woonruimte is verplicht om zijn hoofdverblijf in de door hem gehuurde woonruimte te houden."
2.2. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat [gedaagde 2] sinds 13 januari 2016 is ingeschreven op het adres van het gehuurde. [gedaagde 2] is de meerderjarige dochter van [gedaagde 1] .
2.3. In 2020 is het mondelinge verzoek gekomen met de vraag of [gedaagde 2] contractueel medehuurder kon worden. Rappange heeft dit geweigerd.
2.4. Op enig moment heeft [gedaagde 2] Rappange opgebeld met de vraag of het toegestaan was om het gehuurde via Airbnb, een website waarop particulieren hun woning tijdelijk kunnen verhuren, te verhuren.
2.5. Naar aanleiding van signalen dat [gedaagde 1] niet in het gehuurde woonde maar zijn dochter, is Rappange een onderzoek gestart, waarbij de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), woonfraude-onderzoeker van SamenWoonfraudeStoppen en het onderzoeksbureau PSG Recherche (hierna: "PSG") zijn ingeschakeld.
2.6. Rappange heeft op 16 februari 2024 een onaangekondigd bezoek gebracht aan het gehuurde. Hierbij waren [naam 3] , werkzaam bij Rappange en [naam 2] aanwezig. De deur werd geopend door een man die verklaarde de vriend van [gedaagde 2] te zijn. In het rapport over het bezoek staat voor zover relevant:
"Om 07:58 uur kloppen wij aan. Even later werd de deur geopend door een man die later de vriend blijkt te zijn van bewoonster [gedaagde 2] . We spreken hem kort aan de deur. De man verklaart kort en zakelijk of in woorden van gelijke strekking;
-
- Ik ben de bewoner van dit adres,(…).*
-
- U vraagt mij of ik weet dat er een verzoek is gedaan over dit appartement, ik weet het even niet.*
-
- U vraagt mij of er nog andere bewoners zijn op dit adres en of een andere bewoner een verzoek heeft gedaan, dat klopt. Een Airbnb verzoek? U zegt mij dat u dat bedoelt. U vraagt me of de persoon die dat verzoek heeft gedaan thuis is, nee, nu niet.*
-
- Ik weet wel dat het verzoek is gedaan. U vraagt mij hoeveel personen hier wonen, hier wonen 2 personen, [gedaagde 2] en ik. [gedaagde 2] heeft het verzoek gedaan, zijn is er nu niet. Ze is al weg, ze is net vertrokken voordat jullie kwamen.*
(…)
-
- U vraagt mij wanneer [gedaagde 2] er is, u kunt het beste mailcontact houden. U vraagt mij of ik hier al lang woon, nog niet zo heel lang. [gedaagde 2] woont hier al wel lang.*"
2.7. PSG heeft in opdracht van Rappange verder onderzoek gedaan naar de bewoning van het gehuurde. Zij heeft in de periode van 28 februari 2024 tot en met 6 maart 2024 met een videocamera, gericht op de voordeur van het gehuurde, onderzoek gedaan. In het verslag daarvan staat, kort samengevat, het volgende. [gedaagde 1] wordt slechts één keer voor 32 minuten op het huuradres waargenomen. [gedaagde 2] wordt dagelijks gezien en ook wordt zij drie keer samen gezien met een onbekende man. Beiden hebben ze een huissleutel. Verder wordt er nog een derde onbekende man dagelijks waargenomen op het huuradres met een huissleutel. Voor alle in de rapportage genoemde personen, anders dan [gedaagde 1] , luidt de conclusie dat er kennelijk overnacht wordt in het gehuurde. Geconcludeerd wordt dat [gedaagde 1] er niet woont.
2.8. PSG heeft in de periode van 20 maart 2024 tot en met 27 maart 2024 nogmaals onderzoek gedaan met een videocamera. In het verslag daarvan staat, kort samengevat, dat [gedaagde 1] eenmalig wordt waargenomen op het huuradres voor de duur van twee uur. [gedaagde 2] wordt dagelijks waargenomen evenals één van de twee onbekende mannen, en de andere onbekende man wordt opnieuw een aantal keren waargenomen. Ook wordt er een tweede onbekende vrouw twee keer waargenomen die het gehuurde betreedt met een huissleutel. Voor alle in de rapportage genoemde personen, anders dan [gedaagde 1] , luidt de conclusie dat er kennelijk overnacht wordt in het gehuurde. De conclusie is wederom dat [gedaagde 1] er niet woont.
2.9. Op 17 april 2024 hebben [naam 4] , werkzaam bij Rappange en [naam 2] het gehuurde onaangekondigd bezocht. Daar troffen ze [gedaagde 2] en haar vriend aan. In het rapport over het bezoek staat onder meer:
"Om 08:39 uur kloppen wij aan op de deur. (…) Ik zeg dat we nieuwsgierig zijn naar de woonsituatie op het adres en ook naar de toekomstplannen, ook refereer ik aan een verzoek dat eerder is gedaan naar vakantieverhuur. Zij verklaart kort en zakelijk of in woorden van gelijke strekking:
-
- Ik woon hier en mijn vader woont hier ook. Mijn vriend komt hier af en toe langs.(…)*
-
- Mijn vader en ik zijn hier regelmatig, maar mijn vader is niet heel vaak thuis. Hij werkt in de wegenbouw, hij is altijd vroeg weg. Hij staat om 05:00 uur op. Hij is er wel iets minder vaak dan ik, hij heeft natuurlijk een vriendin, daar is hij ook regelmatig, maar hij is hier wel vaak. Zijn vriendin woont ook in [woonplaats] .*
-
- We hebben de woonruimte verdeelt. De voorzijde van de woning is voor mij, mijn vader zit vooral daar (wijst naar de achterzijde van de woning).*
-
- Mijn vader is nu niet thuis. Hij slaapt hier zeker wel de helft van de tijd, zeker wel 14 keer per maand. ook wel vaker hoor. (…)*
-
- Hier (kamer achterzijde) liggen zijn spullen, ik kan zijn paspoort even laten zien (toont een Nederlands paspoort dat later ook van de huurder blijkt te zijn) daar hangt ook zijn werkjas (wijs naar een oranje werkjas die in de gang op een haakje hangt). (…)*
Rapporteur: Ik geef aan dat het vermoeden bij Rappange is dat vader (huurder) er niet meer woont.(…)
-
- Het is vandaag woensdag, hij heeft hier afgelopen vrijdag nog geslapen. Sinds vrijdag is hij hier niet meer geweest.*
-
- Het is heel verschillend, soms is hij hier ook veel vaker. Het is ook logisch dat je een beetje vrij bent hierin.*
-
- Er is hier geen post van hem nu in het huis, hij pakt zijn post gewoon, waar hij dat laat weet ik niet precies. (…)*
-
- (…) Er is hier nog gereedschap van hem, zijn kleding is hier ook.*
-
- (…) Het is toch logisch dat als je een vriendin hebt, dat je ook daar slaapt? Hij vind het ook fijn mij wat meer ruimte te geven.*
-
- Mijn vriend is hier heel vaak, hij staat hier niet ingeschreven. Hij woont officieel nog bij zijn vader, (…);*
-
- Mijn vader vindt het gezellig als er hier veel mensen zijn. (…)*
-
- Mijn vader is hier gewoon nog regelmatig, mijn vader heeft hier in de afgelopen maand wel de helft van de tijd geslapen.*
-
- U laat mij weten dat u mijn vriend heeft gesproken (…). Hij zei volgens u heel duidelijk dat er hier 2 personen wonen.*
-
- Wat zijn de gevolgen van de woonsituatie. Ik zeg mijn vader is hier nog heel vaak, ik ben er ook met mijn vriend. Mijn vader is hier wel gewoon nog, maar hij heeft wel zijn vriendin. Zij woont in [stadsdeel] bij de [locatie] , ze heeft daar een koopwoning. (…) Mijn vader heeft zijn vriendin, maar hij wil nog wel zijn eigen huis hebben, dit is zijn huis, dit huurt hij. Hij wil hier gewoon kunnen komen, hij is hier ook. Nu is het een beetje geswitcht, dat komt ook omdat ik hier dan ben.*
-
- Je kunt je voorstellen hoe het is als je net een vriendin hebt, dat het dan een beetje dynamisch over gaat. Hij slaapt hier nog wel, hij heeft ook nog heel veel spullen hier, maar ja zo'n dynamische shift, je trekt ook niet gelijk bij iemand in natuurlijk. De relatie heeft hij nu 2 jaar. Het is nog een beetje pril allemaal, daardoor is hij nu wel iets meer bij die vriendin. (…)*
-
- Ik woon hier wel heel fijn en zou echt graag hoofdhuurder willen worden, stel dat mijn vader hier nog wel gewoon ingeschreven staat, omdat hij hier ook vaak is, hij wil ook de woning niet verliezen stel je voor dat er iets gebeurd. Het is niet fijn om geen huis te hebben. Als ik de hoofdhuurder kan worden, dan zou hij mij ook willen ondersteunen met de huur. Ik studeer zelf nog, hij me daar ook in ondersteunen.*
-
- Mijn vader betaalt nu de huur aan jullie, ik betaal zelf 500 euro per maand aan mijn vader.*
(…)
2.10. Tussen 18 april 2024 en 25 april 2024 heeft PSG wederom onderzoek gedaan naar het gehuurde met een videocamera. Uit het verslag hiervan blijkt, kort samengevat, dat [gedaagde 1] in de genoemde periode niet is aangetroffen. [gedaagde 2] en één van de mannen worden dagelijks aangetroffen bij het gehuurde. De eerder waargenomen onbekende vrouw wordt twee keer waargenomen. Voor alle in de rapportage genoemde personen, anders dan [gedaagde 1] , luidt de conclusie dat er overnacht wordt in het gehuurde. De conclusie is dat [gedaagde 1] er niet woont.
2.11. Bij brief van 10 juni 2024 heeft de gemachtigde van Rappange [gedaagde 1] verzocht om een afspraak te maken op het kantoor van gemachtigde in het kader van de beëindiging van de huurovereenkomst.
2.12. Bij brief van 5 juli 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde 1] medegedeeld dat [gedaagde 1] niet bereid is de huurovereenkomst op te zeggen.
2.13. Op 5 juli 2024 heeft de gemachtigde van Rappange per mail verzocht om bewijsstukken (zoals bankafschriften waaruit pinbetalingen uit de buurt blijken en een kopie van zijn parkeervergunning) over te leggen waaruit blijkt dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde houdt.
2.14. Op 18 juli 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde 1] per mail een aantal bewijsstukken gestuurd aan Rappange. Het gaat hier om afschriften van pakketjes die worden bezorgd, een kopie van zijn parkeervergunning, een verklaring van zijn kapper en wasserette en een verklaring van zijn werkgever.
3 Het geschil
3.1. Rappange vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en Rappange wordt ontbonden en dat gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen acht dagen na betekening van het vonnis, alsmede gedaagden te veroordelen in de proceskosten.
3.2. Rappange stelt ten aanzien van [gedaagde 1] het volgende. [gedaagde 1] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde te hebben. Daarnaast heeft [gedaagde 1] in strijd met de huurovereenkomst het gehuurde onderverhuurd, dan wel in gebruik gegeven aan derden. Deze tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst rechtvaardigen daarom de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Ten aanzien van [gedaagde 2] en de andere bewoners stelt Rappange dat zij zonder recht of titel in het gehuurde verblijven.
3.3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] betwist dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft in het gehuurde. Dat [gedaagde 1] minder in het gehuurde is geweest, maakt niet dat hij zijn hoofdverblijf daar niet heeft. Ook betwist [gedaagde 1] dat er sprake is van onderhuur. [gedaagde 2] is zijn dochter en behoort daarom rechtstreeks tot zijn gezin. Het staat de vriend van [gedaagde 2] vrij om af en toe te komen logeren. Soms blijven er vrienden van [gedaagde 2] logeren. Dat maakt het geen onderhuur. Voor zover er geoordeeld wordt dat er sprake is van een tekortkoming, rechtvaardigt deze de ontbinding niet.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft en/of dat er sprake is van niet-toegestane onderhuur.
Niet verschenen andere bewoners
4.2. Gelet op het bepaalde in artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zal het vonnis in deze procedure ook ten aanzien van de niet verschenen gedaagden de andere bewoners, tegen wie verstek is verleend, als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd. Ten opzichte van de niet verschenen partijen geldt dat de vorderingen in beginsel worden toegewezen, tenzij de vorderingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 Rv).
4.3. De vorderingen tegen de andere bewoners zullen worden toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Onderhuur [gedaagde 2]
4.4. Primair stelt Rappange – zoals op de zitting verder is toegelicht – dat er sprake is van onderhuur die niet is toegestaan. [gedaagde 2] heeft tot haar 19e in [plaats 1] gewoond bij haar moeder en is toen in het gehuurde komen te wonen bij [gedaagde 1] . Omdat zij na haar 18e is uitgevlogen bij haar moeder, kan er niet meer gesproken worden over een gezinssituatie. Dit maakt dat er per definitie sprake is van onderhuur. Daarnaast heeft [gedaagde 2] verklaard € 500,00 per maand te betalen aan haar vader wat aantoont dat er sprake is van onderhuur. [gedaagde 1] betwist dat er sprake is van onderhuur. [gedaagde 1] stelt dat [gedaagde 2] onderdeel van het gezin is. Dat zij op haar 19e bij [gedaagde 1] is komen te wonen doet daar niet aan af. Het enkele feit dat zij bijdraagt in de kosten betekent niet dat er een huurprijs wordt betaald. Het gaat hier om kost en inwoning.
4.5. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 2] niet als onderhuurder aangemerkt kan worden. Op grond van artikel 10.2 van de huurovereenkomst mogen personen die rechtstreeks tot het gezin van huurder behoren inwonen. Nu [gedaagde 2] de dochter van [gedaagde 1] is, is er sprake van een gezinssituatie. Dat [gedaagde 2] op haar 19e is ingetrokken bij [gedaagde 1] , maakt dit niet anders. Zij kan niet als 'derde' worden aangemerkt. Met betrekking tot het bedrag van € 500,00 dat [gedaagde 2] maandelijks aan [gedaagde 1] betaalt neemt de kantonrechter in aanmerking dat het niet ongebruikelijk is dat een meerderjarig kind kost en inwoning betaalt aan de ouder. In het licht van bovenstaande is niet voldoende onderbouwd dat door de inwoning van [gedaagde 2] in strijd is gehandeld met artikel 10.2 van de huurovereenkomst.
Hoofdverblijf
4.6. Voor beantwoording van de vraag of [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft geldt het volgende. [gedaagde 1] is op grond van de huurovereenkomst verplicht om hoofdverblijf in het gehuurde te houden. Mocht een schending van de verplichting tot het houden van hoofdverblijf in rechte komen vast te staan dan rechtvaardigt dat naar vaste rechtspraak de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Daarbij is niet relevant dat het hoofdverblijf op enig moment weer zou zijn hersteld.
4.7. Het is aan Rappange om haar stelling dat [gedaagde 1] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft als tekortkoming voldoende aannemelijk te maken. Voor een verhuurder is het moeilijker te bewijzen waar de huurder zijn hoofdverblijf heeft dan voor de huurder zelf. Aan deze bewijsnood van de verhuurder wordt in de jurisprudentie tegemoet gekomen langs de weg van de verzwaarde stel - of motiveringsplicht. Van [gedaagde 1] mag verlangd worden dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stelling van Rappange. Als [gedaagde 1] hier niet aan voldoet, dan kan de kantonrechter de stellingen van Rappange als onvoldoende gemotiveerd betwist voor waar aannemen (zie de uitspraak van Hof Amsterdam 2 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1109).
4.8. Naar oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Voor dit oordeel is allereerst van belang dat toen Rappange onaangekondigd het gehuurde bezocht op 26 februari 2024 en nog niet bekend was dat er sprake was van een onderzoek naar het gehuurde, de vriend van [gedaagde 2] aangaf dat hij er samen woont met [gedaagde 2] . Twee personen in totaal. Daarnaast volgt uit de overgelegde rapportages dat [gedaagde 1] in drie weken tijd slechts twee keer bij het gehuurde is geweest. Dit strookt ook niet met de verklaring van [gedaagde 2] van 17 april 2024, toen het voor [gedaagde 2] en [gedaagde 1] bekend was dat er een onderzoek plaatsvond, waarin zij aangeeft dat [gedaagde 1] gemiddeld veertien dagen per maand in het gehuurde overnacht. Ter zitting is geen duidelijke verklaring gegeven voor deze discrepantie tussen de waarnemingen in de rapportages en de verklaring van [gedaagde 2] . Immers, in een periode van twee maanden is gedurende drie weken met behulp van een videocamera vastgesteld dat [gedaagde 1] het gehuurde twee keer heeft bezocht voor de duur van een half uur respectievelijk twee uur en er geen enkele keer heeft overnacht. Dit roept twijfels op over de juistheid van haar verklaring. Haar uitlatingen op 17 april 2024 zijn daarnaast ambivalent te noemen, zoals "Mijn vader heeft zijn vriendin, maar hij wil nog wel zijn eigen huis hebben, dit is zijn huis, dit huurt hij. Hij wil hier gewoon kunnen komen, hij is hier ook. Nu is het een beetje geswitcht, dat komt ook omdat ik hier dan ben." en "Ik woon hier wel heel fijn en zou echt graag hoofdhuurder willen worden, stel dat mijn vader hier nog wel gewoon ingeschreven staat, omdat hij hier ook vaak is, hij wil ook de woning niet verliezen stel je voor dat er iets gebeurd." Voorts valt het dagelijkse leven van [gedaagde 1] , waarbij hij vroeg moet opstaan voor zijn werk, lastig te combineren met dat van [gedaagde 2] , die een studentenleven leidt waarbij veel mensen over de vloer komen die regelmatig blijven logeren en een sleutel hebben, terwijl het gehuurde maar één slaapkamer heeft en [gedaagde 1] naar eigen zeggen in de woonkamer slaapt en er dunne tussenmuren zijn die geluid doorlaten. [gedaagde 1] heeft ter zitting aangegeven dat hij [gedaagde 2] door het bieden van woonruimte in [woonplaats] de kans wilde geven om te slagen voor haar studie en dat hij er voor heeft gekozen om veel nachten elders door te brengen onder meer vanwege een burnout, waar hij zijn dochter niet mee wilde confronteren, vanwege de reistijd naar zijn werk en vanwege de privacy van zijn dochter en haar vriend. Hij slaapt dan op zijn logeeradressen in [plaats 2] of op zijn boot. [gedaagde 1] geeft aan zijn dochter te hebben voorgehouden dat hij bij zijn vriendin verbleef, maar dat sprake was van een korte relatie in welke hij niet of nauwelijks bij haar overnacht heeft en dan op zijn boot sliep. Ook heeft [gedaagde 1] op de zitting aangegeven dat hij zich niet thuis voelt in het gehuurde wegens het verschil in ritme met [gedaagde 2] : [gedaagde 1] staat rond vijf uur 's ochtends op voor zijn werk en gaat na het achtuurjournaal naar bed. Dit bevestigt het beeld dat [gedaagde 1] voor een langere periode zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft gehad. Daarnaast versterkt het vragen van [gedaagde 2] van toestemming voor vakantieverhuur via Airbnb, de indruk dat het gehuurde niet het hoofdverblijf van [gedaagde 1] is. Immers, haar vakantie zou juist hem de gelegenheid geven om ongestoord in het gehuurde te verblijven.
4.9. [gedaagde 1] heeft daartegenover onvoldoende feiten of omstandigheden ingebracht die de stelling van Rappange kunnen weerleggen. De door [gedaagde 1] overgelegde parkeervergunning van 1 maart 2022 tot en met 1 augustus 2024, factuur van de waterschapsbelasting 2024, een vijftiental door [gedaagde 1] in de periode 2021 tot en met 2024 bestelde en op het gehuurde adres bezorgde pakketjes en verklaringen van een kapper ("Hij bezoekt mijn kapsalon met regelmaat, d.w.z. om de 3 a 4 weken."), een wasserette ("Hij bezoekt mijn wasserette met een zekere regelmaat te weten, om de 2 weken maakt hij gebruik van onze was en droogmachine om zijn sterk vervuilde werkkleding te wassen en drogen.") en een buurman ("Ik zie[ [gedaagde 1] ]regelmatig lopen in de straat.") zijn niet voldoende in het licht van de uitgebreide motivering van Rappange. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verklaard dat [gedaagde 1] veel in [stadsdeel] verblijft en uit de rapportage van PSG volgt dat [gedaagde 1] het gehuurde af en toe bezoekt, zonder er te overnachten. Dat [gedaagde 1] een kapper en wasserette in de buurt van het gehuurde bezoekt past in dat beeld, zonder dat daaruit geconcludeerd kan worden dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Daarbij komt dat het op de weg van [gedaagde 1] had gelegen om zijn standpunt nader te motiveren door bankafschriften over te leggen waaruit pinbetalingen in de buurt van het gehuurde blijken, zoals Rappange meerdere malen heeft verzocht. Dat heeft [gedaagde 1] tot op heden niet gedaan. Ook Rappange heeft verklaringen van twee buren overgelegd ("Ik zie nu veel vaker zijn dochter in de woning, dan dat ik [ [gedaagde 1] ] hier zie of tegenkom. Ik denk dat dit sinds 4 of 5 jaar de situatie is. Ik zie [ [gedaagde 1] ] denk ik slechts 3 of 4 keer per jaar. Ik heb hem nu al een halfjaar niet meer gezien. De dochter van[ [gedaagde 1] ] heb ik gisteren nog gezien. Ik zie haar wekelijks." en "Ik zie [ [gedaagde 1] ] niet vaak meer moet ik zeggen. Als ik moet inschatten hoe vaak, dan is dat 2x per maand. Zijn dochter zie ik veel vaker, zeker 4x per week. Zij is er dan ook vaak met haar vriend."). Uit de verschillende verklaringen volgt dat [gedaagde 1] nog wel enkele keren per maand door buren gezien wordt, maar hier kan niet uit afgeleid worden dat hij in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft. Uit het enkele feit dat tijdens het huisbezoek van 17 april 2024 een paspoort, oplader, gereedschapskist en werkkleding van [gedaagde 1] zijn aangetroffen, duidt dit onvoldoende op hoofdbewoning door [gedaagde 1] , nu op dat moment al duidelijk was voor [gedaagde 1] dat er een onderzoek gaande was. Uit het gegeven dat er twee tweepersoonsbedden werden aangetroffen op 17 april 2024, kunnen ook geen conclusies worden getrokken, nu uit de rapportages van Rappange en verklaring van [gedaagde 2] ter zitting is gebleken dat er zeer regelmatig vriend(inn)en van [gedaagde 2] bleven logeren en voorts niet uitgesloten is dat [gedaagde 1] incidenteel in het gehuurde overnacht. Het standpunt dat [gedaagde 1] steeds zijn hoofdverblijf heeft gehouden in het gehuurde wordt weersproken door het feit dat [gedaagde 2] zelf op zitting heeft uitgesproken dat zij inmiddels het plan heeft om te gaan vertrekken uit het gehuurde en dan haar vader dan in het gehuurde 'weer kan intrekken en zich er thuis voelen'.
4.10. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde 1] niet aan zijn verzwaarde motiveringsplicht voor de betwisting van de stelling dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde heeft voldaan. De stellingen van Rappange zijn niet voldoende weerlegd door [gedaagde 1] . Sterker nog, op de zitting zijn door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verklaringen afgelegd die tegenstrijdig zijn met eerdere verklaringen in het dossier en/of met de rapportage van PSG. Onduidelijk is gebleven of [gedaagde 1] en waar hij zijn hoofdverblijf elders heeft of heeft gehad. Dit laat echter onverlet dat hij niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft of heeft gehad. Aangezien [gedaagde 2] zich op 13 januari 2016 heeft ingeschreven op het gehuurde adres betreft het hier een aanzienlijke periode waarin [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft gehad.
4.11. De kantonrechter ziet geen aanleiding om [gedaagde 1] in de gelegenheid te stellen om tegenbewijs te leveren, nu [gedaagde 1] geen concreet bewijsaanbod daartoe heeft gedaan. In dit kader overweegt de kantonrechter dat Rappange [gedaagde 1] meerdere malen heeft verzocht om bankafschriften over te leggen, wat nooit is gebeurd. Ook in het kader van deze procedure heeft [gedaagde 1] dit niet aangeboden.
4.12. Uit voornoemde overwegingen moet de conclusie worden getrokken dat [gedaagde 1] niet zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde, of geruime tijd niet heeft gehad. Dit maakt dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door [gedaagde 1] . Dat [gedaagde 1] nu of na het vertrek van zijn dochter wellicht wel weer zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in het gehuurde, doet daar niet aan af. Een tekortkoming in het verleden op dit punt kan niet ongedaan worden gemaakt door nakoming op een later moment.
Tekortkoming rechtvaardigt ontbinding
4.13. Op grond van artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek geeft iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt. Het is aan [gedaagde 1] om omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die toepassing van de tenzij-bepaling rechtvaardigen.
4.14. [gedaagde 1] heeft daartoe onder andere gesteld dat hij, hoewel daartoe gezien de staat van het gehuurde wel aanleiding was, nooit geklaagd heeft en altijd een goede huurder geweest is. Voorts dat hij bij toewijzing van de ontbinding van de huurovereenkomst geen woning meer zal hebben. Hij heeft zich weggecijferd om zijn dochter de kans te geven in [woonplaats] te wonen en in haar studie daar te slagen, zonder zich te realiseren dat hij hiermee tekort schoot naar de verhuurder toe. Hij stelt te hebben overnacht op logeeradressen in [plaats 2] op de grond, dan wel op zijn 12-meter boot in [stadsdeel] te hebben geslapen om zijn dochter te ontlasten, en zich groot gehouden te hebben om haar geen slecht gevoel te geven. Het is volgens [gedaagde 1] nooit de bedoeling geweest om het gehuurde aan zijn dochter over te doen. In het licht daarvan vindt [gedaagde 1] de ontbinding niet gerechtvaardigd. Rappange heeft er anderzijds belang bij om de woning beschikbaar te stellen aan een huurder die hoofdverblijf in het gehuurde heeft. De mogelijke goede bedoelingen van [gedaagde 1] bij het, zo volgt uit het voorgaande, feitelijk in gebruik geven van het gehuurde aan zijn dochter voor de duur van haar studie, maken niet dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Alles afwegende komt de kantonrechter tot het oordeel dat sprake is van een tekortkoming die de ontbinding van de huurovereenkomst en een ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Gedaagden zullen dus worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde.
Ontruimingstermijn
4.15. Rappange vordert dat het gehuurde binnen acht dagen na betekening van het vonnis wordt ontruimd. Voor het geval de kantonrechter tot het oordeel komt dat ontbinding gerechtvaardigd is, verzoekt [gedaagde 1] om een langere ontruimingstermijn van ten minste zes maanden, gelet op de krapte op de woningmarkt. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn stellen op dertig dagen na betekening van dit vonnis. Daarbij zij opgemerkt dat Rappange eerder de bereidheid heeft getoond om in overleg een redelijke termijn te geven om het gehuurde te ontruimen.
Tenuitvoerlegging
4.16. [gedaagde 1] heeft verweer gevoerd tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis in geval de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde voorwaardelijke worden toegewezen, omdat in dat geval een onomkeerbare situatie zal ontstaan voor [gedaagde 1] , te weten de ontruiming van het gehuurde en die kan bij het instellen van hoger beroep niet meer worden teruggedraaid. Ook stelt [gedaagde 1] dat het niet mogelijk is om op korte termijn een nieuwe woning in de omgeving te vinden.
4.17. De kantonrechter overweegt dat een gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring als uitgangspunt moet worden toegewezen en alleen dan kan worden afgewezen als in het licht van de omstandigheden van het geval het belang van [gedaagde 1] bij het behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van Rappange bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de ontruiming. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij die beoordeling in de regel buiten beschouwing te blijven.
4.18. De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Gelet op de omstandigheden van het geval en hetgeen hierboven is overwogen, weegt het belang van [gedaagde 1] bij behoud van de bestaande toestand niet zwaarder dan het belang van Rappange bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis.
De proceskosten
4.19. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rappange worden begroot op:
4.20. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5 De beslissing
De kantonrechter
5.1. ontbindt de tussen [gedaagde 1] en Rappange bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] ,
5.2. veroordeelt gedaagden om het gehuurde binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde.
5.3. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 719,11, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,
5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289