Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:7325 - Rechtbank Amsterdam - 2 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:73252 oktober 2025

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10282450 \ CV EXPL 23-803
Vonnis van 2 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TROVIUM BV,
gevestigd te Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: Trovium,
gemachtigde: CW en Partners B.V.,
tegen
[gedaagde],
wondende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 13 juni 2024, - het herstelexploot van Trovium.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1. Trovium heeft het gebrek in de dagvaarding dat met nietigheid wordt bedreigd bij exploot hersteld.
2.2. Naar aanleiding van de overweging in voornoemd tussenvonnis over ambtshalve toetsing heeft eisende partij in het herstelexploot te kennen gegeven dat [gedaagde] van zijn werkgever (Trovium) geld heeft geleend. Een geldlening tussen werkgever en werknemer valt buiten de vergunningsplicht en ook buiten het toezicht van de AFM. Trovium is geen commerciële financiële instelling. Zij is actief in projectrealisatie. Over de voorwaarden van de geldlening is de overeenkomst duidelijk. Algemene voorwaarden zijn niet van toepassing verklaard. Die zijn er ook niet, aldus – steeds – Trovium.
2.3. Aan de hand van de nadere toelichting van Trovium wordt geoordeeld dat sprake is van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder f van het Burgerlijk Wetboek (BW): 'kredietovereenkomsten waarbij het krediet als nevenactiviteit door een werkgever rentevrij of tegen een jaarlijks kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk op de markt, aan zijn werknemers wordt toegekend, en die niet aan het publiek in het algemeen worden aangeboden'. Weliswaar is de geldlening van Trovium aan [gedaagde] niet rentevrij, maar de overeengekomen rente is wel lager dan destijds gebruikelijk was op de markt, zodat de uitzondering alsnog opgaat. Gevolg hiervan is dat Titel 2A van Boek 7 BW in dit geval toepassing mist.
2.4. Dat neemt niet weg dat sprake is van een overeenkomst waarop de informatieplichten van Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 BW van toepassing zijn. De naleving van deze informatieplichten moet ambtshalve worden getoetst. Nu de overeenkomst door beide partijen is ondertekend in Almere, de vestigingsplaats van Trovium, zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. Nu alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel in de geldleningsovereenkomst is opgenomen, die [gedaagde] heeft kunnen doornemen alvorens deze te ondertekenen, gaat de kantonrechter er vanuit dat Trovium aan haar informatieplichten heeft voldaan.
2.5. Het prijsbeding in de geldleningsovereenkomst is duidelijk en begrijpelijk geformuleerd. De economische gevolgen van de overeenkomst kunnen door [gedaagde] worden ingeschat. Dat maakt dat toetsing van het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) niet aan de orde is. In de geldleningsovereenkomst, waarop geen afzonderlijke set algemene voorwaarden van toepassing is verklaard, staan verder geen bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
2.6. Nu de vordering overigens is gebaseerd op de wet, terwijl aan alle wettelijke vereisten zijn voldaan, komt deze niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen.
2.7. Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
2.8. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Trovium worden begroot op:

3 De beslissing

De kantonrechter
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Trovium te betalen een bedrag van € 5.565,09, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 4% per jaar over een bedrag van € 5.033,34, met ingang van 28 november 2022, tot de dag van volledige betaling,
3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan Trovium te betalen een bedrag van € 626,67 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.027,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025.
991