Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:7284 - Rechtbank Amsterdam - 15 mei 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:728415 mei 2025

Uitspraak inhoud

proces-verbaal
Sector Strafrecht
Parketnummer: 13/156538-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 15 mei 2025.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.C. Danel, politierechter en
M. Khalil, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E.S. Schakenraad, officier van justitie.
De politierechter doet de zaak uitroepen.
Verdachte geeft er blijk van onvoldoende de Nederlandse, maar wel de Engelse taal te beheersen. Om deze reden heeft het onderzoek plaats met bijstand van de tolk in de Engelse taal, genaamd T. Hitchcock. De tolk is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen, is door de tolk vertolkt.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende op het adres [adres] .
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. K.J. Zeegers, advocaat te Amsterdam.
De politierechter zegt tegen verdachte dat hij niet tot antwoorden verplicht is en goed moet opletten.
Met instemming van de officier van justitie en de verdachte hervat de politierechter het
onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting
van 27 maart 2025.
De officier van justitie draagt de zaak voor.
Voor zover op deze terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze steeds zakelijk weergegeven.
De politierechter deelt de inhoud van de stukken van het dossier mee, waaronder:
  1. Een proces-verbaal van aanhouding van de zitting van 29 mei 2024, inhoudende de verklaring van verdachte, dat hij even met een brandblusser richting de shovel heeft gespoten en met een waterpistool heeft gespoten waar rode verf in zat.
  1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024108618-2 van 9 mei 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina's 39 en 40.
  1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024108376-7 van 9 mei 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina's 5 t/m 7.
  1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024108376-8 van 9 mei 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina's 8 t/m 9.
  1. Een proces-verbaal van bevindingen camerabeelden met nummer PL1300-2024108376 van 16 mei 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] .
De verdachte verklaart als volgt:
U, politierechter, vraagt of ik stenen heb gegooid. Nee, ik blijf erbij dat ik dat niet heb gedaan. U, politierechter, vraagt wat mijn reactie is op het verhoor van de verbalisant [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris. Ik was daar wel aanwezig, maar ik heb geen geweld gepleegd. Ik vind het niet passend om bij een antigeweld demonstratie gewelddadig te zijn.
De politierechter toont een foto van verdachte op p. 38 van het procesdossier.
De verdachte verklaart als volgt:
U, politierechter, vraagt of ik dit ben. Ja, dat ben ik. U, politierechter, vraagt wat ik in mijn hand heb. Ik heb een meubel vast. Ik stond achter de barricade. Ik sta er een beetje bovenop, maar niet helemaal. Ik weet wel zeker dat de barricade toen nog niet was afgebroken. Op het moment dat de barricade afbrak, vertrok ik namelijk. De politie heeft mij toen geslagen, waarna ik ben gevlucht. U, politierechter, vraagt dit vóór het moment is dat ik boven de barricade stond. Ja, dat is juist. Op de foto zie ik dat de mensen achter mij gezichtsbedekking hadden en ik niet. De steundemonstranten gingen toen weg en de overgebleven mensen zouden gearresteerd worden. Dat heb ik de politie niet direct horen zeggen, maar ik had het wel door. Ik ben bang dat ik me de foto niet goed herinner. U, politierechter, vraagt of ik mij kan herinneren dat de commandant om 17:00 uur heeft gevorderd de plaats te verlaten, aangezien demonstreren op deze locatie was verboden. Dat weet ik niet zeker. Wel weet ik dat er een stem door de megafoon te horen was. Ik weet niet of dat de politie was. Het was in de Nederlandse taal, dus ik begreep niet wat er werd gezegd.
De politierechter bespreekt de persoonlijke omstandigheden, waaronder een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 mei 2025 betreffende verdachte.
De officier van justitie voert het woord overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir. Het op schrift gestelde requisitoir is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht (bijlage I). De inhoud daarvan geldt als hier ingelast.
De officier voert ter aanvulling het woord als volgt:
Ik vorder op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie legt de vordering over aan de politierechter.
De raadsman van verdachte voert het woord overeenkomstig de pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht (bijlage II). De inhoud daarvan geldt als hier ingelast.
De raadsman voert ter aanvulling het woord als volgt:
Ter aanvulling op punt 15 merk ik op dat cliënt niet achter, maar op de barricade stond. De verklaring van verbalisant [verbalisant 1] dat cliënt achter de barricade stond, strookt niet helemaal met de beelden. Hoewel hij niet de hele tijd in beeld is, doet hij elke keer hetzelfde. Hij is nooit helemaal uit beeld verdwenen. Alleen al om die reden twijfel ik aan de verklaring van de verbalisant.
Ter aanvulling op punt 18 wil ik graag opmerken dat, hoewel het evident duidelijk was dat ze niet zouden winnen, de demonstranten toch bezig blijven met het versterken van de barricade.
Ter aanvulling op punt 28 het volgende. De verbalisanten stonden rechtsachter de shovel. Cliënt verplaatste zich meestal meer naar links en pas aan het einde meer naar rechts. Dat betekent dat het onwaarschijnlijk is dat de verbalisanten goed zicht hadden op hem.
Ter aanvulling op punt 36 merk ik op dat de officier van justitie net zei dat verbalisanten heel stellig zijn en dat zij dat ziet als bijdragend aan de overtuiging. Ik kan mij daar niet in vinden. Op het moment dat verbalisanten worden doorgevraagd over eerdere uitspraken, kunnen zij geen antwoord geven, maar toch kunnen zij met zekerheid zeggen dat ze het hebben gezien.
Ter aanvulling op punt 38 ben ik van mening dat het eenvoudig was geweest om het tijdstip bij de foto toe te voegen, maar dat is niet gebeurd. Als ik naar de foto kijk, kan ik mij niet voorstellen dat die foto is gemaakt tijdens het doorbreken van de barricade.
Ter aanvulling op punt 38 merk ik op dat het opvallend is dat verbalisanten verklaren dat cliënt twee of drie stenen heeft gegooid, maar dat geen daarvan op beeld staat.
Ter aanvulling op punt 70 nog het volgende. Sinds de aanhouding van cliënt is hij niet meer in aanraking gekomen met de politie, terwijl hij wel is blijven demonstreren.
De officier van justitie voert het woord in repliek overeenkomstig het op schrift gestelde repliek. Het op schrift gestelde repliek is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht (bijlage III). De inhoud daarvan geldt als hier ingelast.
De officier van justitie voert ter aanvulling het woord als volgt:
Met de raadsman ben ik het eens dat we niet een volledig sluitend dossier hebben als wordt gekeken naar de bevindingen van de verbalisanten in combinatie met de beelden. Daarnaast is het ook zo dat het tijdsbestek volgens de beelden korter is dan wat de verbalisanten in hun processen-verbaal schatten. Feit is en blijft wel dat verdachte niet continu in beeld is. Het enkele feit dat het niet op beeld te zien is, doet niets af aan de waarheid en de argumenten die ik in de eerste termijn heb genoemd over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten. De enige taak van observerende verbalisanten is strafbare feiten bijhouden. Het is relevant om te benoemen dat de verklaring van de verbalisant, dat verdachte achter de barricade stond, met de foto strookt. Verdachte stond namelijk verhoogd en het kan niet anders dan dat hij daarom achter de barricade stond.
Wat betreft de verklaring van de verbalisanten bij de rechter-commissaris het volgende. Ik kan mij voorstellen dat de situatie ter plaatse ontzettend chaotisch was. Daarnaast vind ik het sterk dat verbalisanten precies verklaren over wat ze al dan niet weten en dat ze specifiek blijven in hun verklaringen over de signalementen, hoever de stenen kwamen en in het geval van één verbalisant ook hoe de steen is gegooid.
Ten aanzien van de strafmaat verwijs ik naar de uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2023:243. Verdachte is met naam verschenen in publicaties, maar ik zie hierin geen aanleiding tot strafvermindering. Voor verdachte was het voorzienbaar dat zijn handelen aandacht van de media zou trekken.
De raadsman voert het woord in dupliek als volgt:
Met de officier van justitie ben ik het eens dat het feit dat cliënt niet op beeld is te zien, niets afdoet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten. Het doet echter wel af aan de overtuigingskracht van die verklaringen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft namelijk om 02:00 uur 's nachts honderden foto's bekeken en zijn bevindingen genoteerd.
Bezettingen met een barricade zijn geaccepteerde vormen van demonstraties. Ik ben van mening dat sprake was van geweld vanuit demonstranten en misschien ook meer naarmate het politiegeweld toenam. Als ik naar de beelden kijk, denk ik wel dat het sporadisch is. Het is belangrijk om in acht te nemen dat de intentie niet gewelddadig was. Het zijn beschermde protestvormen. Geweld, zoals het gooien met stenen, is dat niet. Maar een beetje spuiten met een lege brandblusser is niet gevaarlijk. Mede daarom is de eis van de officier van justitie disproportioneel.
Aan verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.
De politierechter sluit het onderzoek en wijst, na een korte onderbreking, mondeling vonnis.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat, zoals gewijzigd ter terechtzitting op 23 mei 2024:
hij op of omstreeks 8 mei 2024 te Amsterdam openlijk, te weten op de Oudezijds Achterburgwal, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen en/of één of meer goederen, te weten één of meerdere leden van de politie Eenheid Amsterdam en/of de Landelijke Eenheid en/of een shovel van de politie Eenheid Amsterdam en/of de Landelijke eenheid, door één of meerdere stenen in de richting van die persoon/personen te gooien en/of met een brandblusser in de richting van die shovel te spuiten en/of met een waterpistool gevuld met rode vloeistof te spuiten.

Alle gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring

Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de processen-verbaal volgen de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de politierechter heeft beslist dat verdachte het tenlastegelegde en het hierna bewezen verklaarde feit heeft begaan.

De bewijsoverweging

Verdachte bekent met een brandblusser in de richting van de shovel van de politie Eenheid Amsterdam te hebben gegooid en met een waterpistool gevuld met rode vloeistof te hebben gespoten. Dit onderdeel van de tenlastelegging is dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De vraag die de politierechter nog dient te beantwoorden is of verdachte met stenen heeft gegooid in de richting van de politie en ME. Verdachte ontkent met stenen te hebben gegooid, evenals getuige [getuige 1] en mevrouw [getuige 2] . Daartegenover staan de verklaring van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] . Eén op ambtseed opgemaakt proces-verbaal is weliswaar voldoende wettig bewijs, maar de hectische en ook heftige omstandigheden die dag en het tijdstip waarop de processen-verbaal zijn opgesteld (na ongeregeldheden bij een tweede demonstratie later die dag), nopen tot behoedzaamheid.
Verbalisant [verbalisant 2] lijkt goed zicht te hebben en verklaart dat verdachte stenen heeft gegooid. Dit heeft hij herhaald, maar dan verklaart hij ook dat hij vóór het verhoor bij de rechter-commissaris zijn proces-verbaal heeft doorgenomen.
Uit de camerabeelden volgt dat gedurende enkele minuten stenen over de barricade worden gegooid, maar deze komen uit een andere richting dan waar verdachte in beeld verschijnt. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] verklaren dat zij rechtsachter de shovel stonden op het moment dat stenen werden gegooid en niet kan worden vastgesteld dat zij vanuit hun positie zicht hadden op verdachte.
De conclusie is dan ook dat bewezen is dat met stenen is gegooid, maar dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt.
Desondanks kan verdachte ook voor dit onderdeel worden veroordeeld voor het in vereniging plegen van openlijk geweld. Van openlijke geweldpleging is immers sprake bij geweld gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een 'significante of wezenlijke bijdrage' aan de openlijke geweldpleging heeft geleverd. Een situatie als deze, waarbij spontaan een samenwerkingsverband lijkt te ontstaan om ervoor te zodat dat de barricade niet kan worden afgebroken, maakt dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere demonstranten. Verdachte spuit met een bijna lege brandblusser en spuit met verf. Daarnaast weegt de politierechter bij dit oordeel mee dat verdachte zelf op zitting heeft verklaard dat er mensen waren die weggingen toen de shovel aankwam en mensen die bleven, die wisten dat zij zouden worden gearresteerd. Verdachte heeft zich dus niet van het geweld gedistantieerd. Dat hij zou hebben opgeroepen geen stenen te gooien, is niet aannemelijk geworden.

De bewezenverklaring

De politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte:
op 8 mei 2024 te Amsterdam openlijk, te weten op de Oudezijds Achterburgwal, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meer personen en goederen, te weten meerdere leden van de politie Eenheid Amsterdam en een shovel van de politie Eenheid Amsterdam, door stenen in de richting van die personen te gooien en met een brandblusser in de richting van die shovel te spuiten en met een waterpistool gevuld met rode vloeistof te spuiten.
Voor zover in de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit en de dader

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Er was sprake van een vreedzame demonstratie. Vreedzame demonstraties worden beschermd door de artikelen 10 en 11 van het EVRM. Dit grondrecht is evenwel niet onbegrensd, beperking mag, indien bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving, onder andere in het belang van het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. In iedere fase moet worden beoordeeld of de beperking de grondrechten daaraan voldoet.
De beoordeling bestaat uit drie stappen. De eerste vraag die dient te worden beantwoord is of sprake is van *pressing social need.*Met andere woorden, wordt gehandeld in reactie op een dringende maatschappelijke behoefte. De politierechter is van oordeel dat hiervan sprake is. De demonstratie is beëindigd om wanordelijkheden te voorkomen, zodat het verkeer vrij doorgang kon krijgen, op grond van de Wet openbare manifestaties.
De tweede vraag die dient te worden beantwoord betreft de proportionaliteit. De vraag die hierbij wordt gesteld is of de inbreuk die wordt gemaakt in verhouding staat tot het beoogde doel. Hier is in dit geval ook sprake van, te meer nu een andere plaats werd aangeboden om te demonstreren.
Verdachte werd verdacht van het in vereniging plegen van openlijk geweld. Dat is een zogenaamde reprehensable act. Zijn aanhouding was daarom noodzakelijk en proportioneel. Verdachte heeft vervolgens geweigerd zijn persoonsgegevens te verstrekken. De voorlopige hechtenis was daarom eveneens nodig om te voorkomen dat verdachte zich aan strafvervolging zou onttrekken. De beperkingen op het demonstratierecht van verdachte waren daarom naar het oordeel van de politierechter gerechtvaardigd en noodzakelijk.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, zodat verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de politierechter gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en goederen, gepleegd tijdens de toegestane beëindiging van een demonstratie door de politie. Dat is een ernstig feit.
De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht nemen bij openlijk geweldpleging tegen een voertuig van een gekwalificeerd slachtoffer een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uur als uitgangspunt. De politierechter weegt bovendien mee dat het aandeel van verdachte in het geweld beperkt is gebleven tot het spuiten met een bijna lege brandblusser en het spuiten met verf en is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf alleen daarom al niet passend is. Daar komt bij dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM de op te leggen straf niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een chilling effect uitgaat. Verdachte heeft al negen dagen in voorlopige hechtenis gezeten. Verdachte moet verder worden aangemerkt als first offenderen heeft zijn leven goed op orde. Om te onderstrepen dat vreedzame demonstraties, vreedzaam moeten blijven, en dus ter normbevestiging oordeelt de politierechter dat alles afwegende een taakstraf van achttien uur, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 141 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De politierechter verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
De politierechter verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen

De politierechter verklaart hetgeen bewezen is strafbaar.
De politierechter verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

een taakstraf voor de duur van 18 (achttien) uren subsidiair 9 (negen) dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
De politierechter waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 (twee) uur te verrichten arbeid.
De politierechter zegt tegen verdachte dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en dat hij van dat recht ook afstand kan doen.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.