Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7283 - Rechtbank Amsterdam - 15 mei 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7283•15 mei 2025
Uitspraak inhoud
proces-verbaal
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Strafrecht
Parketnummer: 13/156579-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 15 mei 2025.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.C. Danel, politierechter en
M. Khalil, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E.S. Schakenraad, officier van justitie.
De politierechter doet de zaak uitroepen.
Verdachte geeft er blijk van onvoldoende de Nederlandse, maar wel de Engelse taal te beheersen. Om deze reden heeft het onderzoek plaats met bijstand van de tolk in de Engelse taal, genaamd C.C. Antonio. De tolk is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen, is door de tolk vertolkt.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: verdachte.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. K.J. Zeegers, advocaat te Amsterdam.
De politierechter zegt tegen verdachte dat hij niet tot antwoorden verplicht is en goed moet opletten.
Met instemming van de officier van justitie en de verdachte hervat de politierechter het
onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting
van 27 maart 2025.
De officier van justitie vertelt waar de zaak over gaat.
Voor zover op deze terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze steeds zakelijk weergegeven.
De politierechter deelt de inhoud van de stukken van het dossier mee.
De verdachte verklaart als volgt:
Op 8 mei 2024 was ik aanwezig op de Universiteit van Amsterdam om te demonstreren, maar ik heb geen geweld gebruikt. Integendeel, ik heb opgeroepen om geen geweld toe te passen.
U, politierechter, vraagt aan mij of ik mij kan herinneren dat de commandant om 17:00 uur heeft gevorderd de plaats te verlaten, aangezien demonstreren op deze locatie was verboden. Ik kan mij het tijdstip niet meer herinneren, maar wel dat dit gezegd is. U, politierechter, zegt dat een verbalisant heeft opgeschreven dat er allerlei voorwerpen richting de shovel van de politie werden gegooid. De enige voorwerpen die gegooid zijn, waren plastic flessen. Dat waren niet zo veel flessen. Ik heb de AT5-beelden vaak bekeken, maar ik heb daarop niet gezien dat er ijzeren staven zijn gegooid. U, politierechter, vraagt of ik in die groep stond. Ja. Het waren geen 300 mensen, maar we stonden wel erg dicht op elkaar.
U, politierechter, vraagt aan mij of sprake was van een opstootje. Het was niet echt een opstootje. Heel veel mensen waren in paniek omdat ze zich niet eerder in een dergelijke situatie hadden bevonden. Het is te zien op het filmpje dat ik met een wapenstok ben geslagen. Over de plek waar ik stond wil ik graag zeggen dat het vrij moeilijk was om te bepalen waar ik exact stond. Op enkele momenten stond ik dichtbij genoeg om geslagen te worden. U, politierechter, vraagt of ik op enig moment vooraan stond. Ja zeker, dat was toen ik gearresteerd werd. U, politierechter, vraagt of ik daarvóór vooraan heb gestaan. Op het moment dat ik ben geslagen, moet ik wel vlakbij de linie zijn geweest. Ik had daar niet veel controle over.
U, politierechter, vraagt of het klopt dat ik een persoon van de linie van de Mobiele Eenheid (hierna: ME) meerdere klappen op zijn helm heb gegeven. Nee, dat klopt niet. Ik probeerde de mensen om mij heen rustig te houden. Wel riepen wij naar de politieagenten dat wij vredevol wilden demonstreren. U, politierechter, vraagt of ik heb gezien dat iemand anders een ME'er heeft geslagen. Niet dat ik mij kan herinneren.
Ik wil graag nog wat zeggen over de aanhouding. Verbalisant [verbalisant 1] beschrijft dat een gepaste hoeveelheid geweld is gebruikt. Hij beweert dat hij mij niet bij de neus heeft getrokken. Het is belangrijk om te weten dat ik uit de lijn ben getrokken, terwijl ik met mijn rug ernaartoe stond. Terwijl ze mij wegtrokken, deden ze mijn jas over mijn hoofd. Hierdoor kon ik niks zien toen ik op de grond lag. Het is denk ik wel duidelijk dat ik mij niet verzette bij mijn aanhouding. Verder kan ik mij niet herinneren dat ik hen fascisten noemde en als ik dat wel had gedaan, dan was het niet in het Nederlands. Daarnaast trokken zij mij hard bij mijn arm en deden ze mijn handen tegen mijn polsen aan. Ik zei toen dat het heel erg pijn deed en dat het op deze manier zou breken. De verbalisanten reageerden daarop door te zeggen dat ik mijn bek moest houden. U, politierechter, vraagt of ik schoppende bewegingen maakte toen ik aangehouden werd. Het is een vrij natuurlijke reactie om je armen en benen heen en weer te bewegen in zo een situatie. Ik kon niks zien met een jas over mij heen.
De politierechter bespreekt de persoonlijke omstandigheden, waaronder een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 mei 2025 betreffende verdachte.
De verdachte verklaart als volgt:
Momenteel studeer ik [naam studie] en schrijf ik mijn scriptie. Ik werk hiernaast parttime bij de [naam bedrijf] . Hierna wil ik misschien een PhD doen.
De officier van justitie voert het woord overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir. Het op schrift gestelde requisitoir is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht (bijlage I). De inhoud daarvan dient geldt als hier ingelast.
De officier van justitie legt de vordering over aan de politierechter.
De raadsman van verdachte voert het woord overeenkomstig de pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht (bijlage II). De inhoud daarvan geldt als hier ingelast.
De raadsman verklaart ter aanvulling op de pleitnota als volgt:
Ter aanvulling op punt 4 merk ik op dat cliënt weinig invloed had binnen de groep demonstranten, dus voor dit deel is er geen bewijs.
Ter aanvulling op punt 9 wil ik benadrukken dat de beelden duidelijk zijn. Cliënt is lang, dus als hij met een vuist zou hebben geslagen dan moet het wel te zien zijn geweest.
Ter aanvulling op punt 15 merk ik op dat er omstandigheden zijn die afdoen aan de overtuigingskracht van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gelet op het tijdstip en de manier waarop is geverbaliseerd. Het proces-verbaal is uren later pas opgemaakt op basis van hun herinneringen. Daarnaast weet één van de twee in ieder geval niet meer hoe het is gegaan.
Ter aanvulling op punt 17 het volgende. Er wordt een heel negatief beeld van cliënt geschetst, terwijl zij niet horen wat hij zegt. Hij sprak zijn mededemonstranten aan, maar van opjutten is geen sprake. Hierdoor was ook geen toename van het geweld uit de groep naar de ME'ers. Dat deel van de verklaring klopt niet. Het zou dus goed kunnen dat de verklaring over het slaan ook niet klopt.
Ter aanvulling op punt 18 herhaal ik graag het punt dat de politierechter zojuist maakte. [verbalisant 1] verklaart foutief dat cliënt aan de linkerzijde stond.
Ten aanzien van de strafeis merk ik graag op dat ik hier enorm van schrik, aangezien de officier van justitie niet tot een bewezenverklaring komt van alle bestanddelen van de tenlastelegging. In alle zaken over deze bezettingen zijn alleen gevangenisstraffen geëist in de gevallen waarin met stenen is gegooid. Cliënt heeft dat niet gedaan en zelfs als dat zo was, dan verzoek ik u mee te nemen dat cliënt zich in een groep mensen bevond die angstig en gestrest waren. Dat is heel anders dan een steen gooien vanuit een rustige positie. Verder verbaast de strafeis mij ook gezien het feit dat cliënt er was om te demonstreren. Volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dienen de staten terughoudend om te gaan met vervolging en bestraffing van demonstranten. Bovendien bevond cliënt zich in een situatie waarin de politie zelf geweld gebruikte.
Daarnaast verzoek ik u in strafverminderende zin rekening te houden met de gewelddadige aanhouding. Het is namelijk disproportioneel om iemand in zijn gezicht te slaan tijdens een aanhouding. Op de beelden is te zien hoeveel pijn cliënt hierdoor heeft geleden. Er was geen redelijk doel dat daarmee werd gediend.
De officier van justitie krijgt de gelegenheid om te reageren en voert het woord als volgt
Het feit dat niet op de beelden te zien is dat verdachte de ME'er slaat, maakt de stellige waarnemingen van verbalisanten niet onbetrouwbaar. Daarbij komt ook dat verdachte schreeuwt in hun gezicht en dat zij verdachte niet uit het oog verliezen.
De raadsman krijgt de gelegenheid om te reageren.
Aan verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.
De politierechter sluit het onderzoek en wijst mondeling vonnis.
AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 8 mei 2024 te Amsterdam
openlijk, te weten, op de Oudezijds Achterburgwal, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten één of meerdere leden van de mobiele eenheid en/of de politie Eenheid Amsterdam en/of van de Landelijke Eenheid van politie, door dicht tegen de linie van de Mobiele Eenheid aan te gaan staan en/of een of meer klappen tegen de helm van een van deze personen te geven en/of stenen en/of andere voorwerpen naar die personen te gooien.
Vrijspraak
De politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De tenlastelegging bevat drie feitelijke handelingen. De eerste handeling betreft het te dicht op de linie staan. De politierechter komt niet tot een bewezenverklaring van dit deel, gelet op de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris en de eigen waarnemingen van de politierechter van de beelden. De verbalisant verklaart immers dat er weinig bewegingsruimte is en op de beelden is tevens te zien dat verdachte in de hoek staat. Hierdoor kon verdachte geen kant op.
Ten aanzien van de tweede feitelijke handeling geldt dat niet is bewezen dat verdachte met stenen heeft gegooid naar de ME'ers. Op beelden is weliswaar te zien dat even daarvoor over de barricade stenen en andere voorwerpen werden gegooid door demonstranten, maar niet kan worden vastgesteld waar verdachte zich op dat moment bevond. Uit het dossier volgt niet dat nadat de politie de barricade had doorbroken er geen stenen of andere voorwerpen richting ME'ers zijn gegooid.
De politierechter is van oordeel dat er voor de derde feitelijke handeling – het slaan op de helm van één van de ME'ers –voldoende wettig bewijs is. Twee verbalisanten verklaren op ambtsbelofte deze handeling gezien te hebben. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris blijven zij hier ook bij. Desondanks kan de politierechter niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte deze handeling heeft verricht. Op de camerabeelden is niet te zien dat verdachte geweld pleegt. Met de officier van justitie is de politierechter het eens dat dat niet uitsluit dat verbalisanten iets anders hebben waargenomen. Desalniettemin kan de politierechter niet in voldoende mate uitgaan van hun verklaringen gelet op de onoverzichtelijke omstandigheden waaronder politie en ME heeft moeten ingrijpen. [verbalisant 1] verklaart tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris dat verdachte niet aan de linkerzijde stond, terwijl op de beelden te zien is dat verdachte juist wel aan de linkerzijde stond.
De politierechter is van oordeel dat voorgaande maakt dat er onvoldoende overtuigend bewijs is om vast te stellen dat verdachte de ten laste gelegde feitelijke handelingen heeft verricht.
De politierechter merkt op dat voorgaande niet uitsluit dat verdachte alsnog zou kunnen worden veroordeeld voor het plegen van openlijke geweld. Van openlijke geweldpleging is immers sprake bij geweld gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een 'significante of wezenlijke bijdrage' aan de openlijke geweldpleging heeft geleverd. De enkele omstandigheid dat de verdachte aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. De politierechter is van oordeel dat onvoldoende kan worden bewezen dat verdachte die bijdrage heeft geleverd. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaren dat verdachte dingen riep, maar dat zij niet weten wat dat was. Verdachte ontkent gewelddadige woorden te hebben uitgesproken.
De politierechter is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en spreekt hem hiervan vrij.
DE UITSPRAAK
De politierechter verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.
De politierechter heft het tegen verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
De politierechter deelt mee dat de officier van justitie binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.