Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7279 - Rechtbank Amsterdam - 26 maart 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7279•26 maart 2025
Uitspraak inhoud
verkort vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/211225-22
Datum uitspraak: 26 maart 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1967,
wonende op het adres [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkorte vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D. Wijburg, naar voren hebben gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 augustus 2022 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
- poging tot doodslag van [benadeelde partij] door met (kracht) een mes te steken en/of snijden in (de richting) van de buik en/of maag van [benadeelde partij] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling. Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling;
- mishandeling van [benadeelde partij] door hem te stompen/slaan in het gezicht en/of de nek;
- bedreiging van [benadeelde partij] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door te zeggen: "Ik ga je vermoorden".
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 De waardering van het bewijs
3.1. Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde poging doodslag (feit 1 primair) niet kan worden bewezen. Volgens de officier kan wel wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling (feit 1, subsidiair), mishandeling (feit 2) en bedreiging (feit 3).
3.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verklaring van verdachte moet als uitgangspunt worden genomen. De twee belastende getuigenverklaringen van de huisgenoot van verdachte, [benadeelde partij] , en de neef van verdachte, [naam] , zijn niet consistent en spreken elkaar op essentiële onderdelen tegen. Dit maakt dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn, althans onvoldoende om de verklaring van verdachte terzijde te schuiven.
3.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling (feit 1), mishandeling (feit 2) en bedreiging (feit 3). De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van feit 1 primair en subsidiair.
3.3.1. Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigenverklaringen
Ter terechtzitting heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij] en [naam] betwist. Verdachte ontkent de ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd en heeft verklaard dat [benadeelde partij] en [naam] hem hebben aangevallen. Zij zouden, volgens verdachte, valse verklaringen hebben afgelegd.
De rechtbank acht de verklaringen van [benadeelde partij] en [naam] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Dat zij op sommige punten wisselend hebben verklaard, doet aan de algehele betrouwbaarheid van hun verklaringen niet af. Zij verklaren in de kern consistent over de gebeurtenis. Daarnaast worden de verklaringen ondersteund door het waargenomen letsel bij [benadeelde partij] . Hoewel de getuigen in elkaars bijzijn zijn gehoord door de politie, zijn zij op een later moment – los van elkaar – door de rechtercommissaris gehoord waarbij de raadsman van verdachte ook aanwezig was. De rechtbank ziet deze verhoren bij de rechtercommissaris als extra waarborg ten behoeve van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet aannemelijk geworden.
3.3.2. Vrijspraak poging doodslag en poging zware mishandeling (feit 1)
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1, primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het daadwerkelijk (proberen te) veroorzaken van de dood van [benadeelde partij] of het veroorzaken van (zwaar) lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op basis van de getuigenverklaringen bij de rechtercommissaris vast dat verdachte het mes in eerste instantie bovenhands heeft vastgehouden en later onderhands. Daarbij heeft verdachte met het mes meer dreigende dan stekende bewegingen gemaakt in de richting van [benadeelde partij] . De aard en grootte van het mes kunnen niet worden vastgesteld, omdat het mes niet is gevonden. Daarnaast is het onduidelijk op welke manier en met welke kracht verdachte de bewegingen met het mes heeft gemaakt. Dit brengt met zich mee dat niet kan worden bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen de dood of (zwaar) lichamelijk letsel zou intreden.
Nu de verbalisanten bij [benadeelde partij] letsel hebben geconstateerd, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [benadeelde partij] geraakt is, zodat de rechtbank de tenlastegelegde mishandeling onder feit 1 meer subsidiair bewezen acht.
3.3.3. Bewezenverklaring van mishandeling en bedreiging (feiten 2 en 3)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en bedreiging op basis van het proces-verbaal van bevindingen ter plaatse, met daarin foto's van het letsel in de nek, en de getuigenverklaringen van [benadeelde partij] en [naam] afgelegd bij de politie en de rechtercommissaris.
4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
op 21 augustus 2022 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] met een scherp en/of puntig voorwerp te steken in het lichaam;
ten aanzien van feit 2:
op 21 augustus 2022 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] meerdere malen te stompen/slaan in de nek;
ten aanzien van feit 3:
op 21 augustus 2022 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je vermoorden".
5 Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard, gelet op het advies van de psychiater.
7.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de toerekeningsvatbaarheid.
7.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage, psychiatrisch onderzoek, van 17 januari 2023, opgemaakt door psychiater dr. J. van der Meer.
Hierin is gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis. Daarbij is sprake van een paranoïde waan. De paranoïde waan was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte heeft een paranoïde waan over [benadeelde partij] en dit maakt het aannemelijk dat de psychose in grote mate van invloed is geweest op het tenlastegelegde. Volgens de psychiater zijn er sterke aanwijzingen dat verdachte volledig vanuit zijn psychose handelde en hij weinig tot geen wilsvrijheid had, waardoor het tenlastegelegde helemaal niet aan hem kan worden toegerekend, hoewel dit door de ontkenning van betrokkene niet met zekerheid is vast te stellen. Het advies is daarom om het tenlastegelegde in ieder geval in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Als het handelen volledig voortkwam uit de paranoïde waan, dan is sprake van volledige ontoerekenbaarheid.
Verder blijkt uit dit rapport dat verdachte in de penitentiaire inrichting op een Extra Zorgvoorziening afdeling (hierna: EZV) is geplaatst, omdat er sprake was van paranoïde wanen, waarbij verdachte het idee had dat [benadeelde partij] (huisgenoot) en [naam] (neef) hem het leven zuur wilden maken door middel van microgolven, telefoons hacken en geld afnemen. Ook concluderen de psychiater en psycholoog van de EZV afdeling dat bij verdachte sprake was van een waanachtige overtuiging dat zijn apparaten door [benadeelde partij] en [naam] werden 'gehackt' en dat zij zo bij zijn gegevens konden komen. Verdachte is vanwege deze wanen uiteindelijk in het [kliniek] geplaatst.
Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de zorgmachtiging die op 9 februari 2023 door deze rechtbank is afgegeven en die heeft gelopen tot augustus 2023.
Hierover is in het reclasseringsrapport van 27 februari 2025 het volgende gerapporteerd. De kliniek waarin verdachte was opgenomen, te weten [naam kliniek] , heeft aan de reclassering medegedeeld dat er bij het aflopen van de zorgmachtiging onvoldoende noodzaak werd gezien om de zorgmachtiging te verlengen. Hierna is de behandeling gestopt. Verder is in het rapport van de reclassering opgenomen dat de huisarts van verdachte aan de reclassering heeft medegedeeld dat verdachte de overtuiging heeft dat zijn bovenburen hem opzettelijk schade toebrengen door lawaai en trillingen. Verdachte is doorverwezen naar het Nederlands Psychiatrisch Instituut voor onderzoek naar persoonlijkheidsproblematiek. De reclassering kan geen uitspraken doen over het huidig psychosociaal functioneren van verdachte, omdat de uitgevoerde onderzoeken meer dan twee jaar oud zijn.
Tenslotte blijkt uit het dossier dat er in de politiesystemen een aantal registraties als verward persoon op naam van verdachte staan.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte ten tijde van de strafbare feiten leed aan een psychische stoornis en onder invloed van die stoornis strafbare feiten heeft gepleegd. Met name de (toelichting op de) zinsnede op pagina 17 uit het rapport van de psychiater dat "het tenlastegelegde helemaal niet aan verdachte kan worden toegerekend" brengt de rechtbank tot de conclusie dat de bewezen geachte feiten wegens een psychische stoornis niet kunnen worden toegerekend aan verdachte en dat hij ten tijde van het bewezen geachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Dit leidt ertoe dat verdachte niet strafbaar is, zodat de rechtbank hem zal ontslaan van alle rechtsvervolging.
De voorlopige hechtenis van verdachte is bij beslissing van 9 februari 2023 geschorst, omdat toen een zorgmachtiging is verleend, waarna verdachte is opgenomen in een zorginstelling. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis opheffen, omdat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
8 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij ( [benadeelde partij] ) zal, gelet op artikel 361, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat de benadeelde geen concreet schadebedrag heeft opgegeven. Onderzoek daarnaar, waaronder het opvragen van de benodigde gegevens, leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan zijn vordering enkel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9 De beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1, primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en 2:
mishandeling, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart verdachte, [verdachte], voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolgingter zake daarvan.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijkin zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Grüschke, voorzitter,
mrs. G. Oldekamp en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Niemeijer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2025.