Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7236 - Rechtbank Amsterdam - 19 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7236•19 september 2025
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10781581 \ CV EXPL 23-14254
Vonnis van 19 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LAKEMAN AUTO'S ALMERE B.V.,
gevestigd te Almere,
eisende partij,
gemachtigde: Van Es Gerechtsdeurwaarders & Inc.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 25 juli 2025, - de akte van eisende partij.
1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
2.1. Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld een goed leesbare versie van de overeenkomst over te leggen, zich uit te laten over de wijze waarop zij heeft voldaan aan de informatieplichten van artikel 7:60 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en zich uit te laten over de wijze waarop zij de kredietwaardigheid van gedaagde partij heeft getoetst.
2.2. Eisende partij heeft aangevoerd welke informatie als bedoeld in artikel 7:60 BW zij onder meer aan gedaagde partij heeft verstrekt. De kredietwaardigheid van gedaagde partij heeft eisende partij niet getoetst.
2.3. Nu eisende partij niet alle precontractuele informatie als bedoeld in artikel 7:60 BW aan gedaagde partij heeft verstrekt en zij de kredietwaardigheid van gedaagde partij niet heeft getoetst, maakt eisende partij zich ingevolge artikel 7:60 lid 3 BW schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk. Daarom zal de kantonrechter, zoals aangekondigd, overgaan tot ambtshalve vernietiging van de overeenkomst.
2.4. Vernietiging leidt ertoe dat de overeenkomst niet kan dienen als grondslag voor de vordering. Eisende partij heeft de grondslag van haar vordering bij akte gewijzigd, in die zin dat zij subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking een bedrag van € 736,00 vordert. Dat is het bedrag dat gedaagde partij volgens eisende partij nog verschuldigd is, zonder de kosten van het krediet, in dit geval bestaande uit € 250,00 'administratiekosten'. Met deze grondslagwijziging kan in verstek geen rekening worden gehouden, omdat deze niet bij exploot aan gedaagde partij kenbaar is gemaakt. In dit verband wordt verwezen naar artikel 130 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.5. Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering.
2.6. Eisende partij wordt bij deze uitkomst veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij, tot op heden begroot op nihil.
3 De beslissing
De kantonrechter
3.1. wijst de vordering af,
3.2. veroordeelt eisende partij in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.
991