Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7235 - Rechtbank Amsterdam - 19 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7235•19 september 2025
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11748584 \ CV EXPL 25-8295
Vonnis van 19 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: Volkswagen,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde], handelende onder de naam**[handelsnaam]**,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 mei 2025, met producties, - het proces-verbaal van mondeling antwoord, - de akte vermindering van eis met € 572,00 van Volkswagen.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
2.1. Volkswagen vordert, uit hoofde van een met [gedaagde] gesloten financial leaseovereenkomst, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 17.045,74 aan hoofdsom, vermeerderd met contractuele buitengerechtelijke kosten, contractuele rente en proceskosten.
2.2. Volkswagen stelt dat zij met [gedaagde] een zakelijke financieringsovereenkomst heeft gesloten ten behoeve van een personenauto, te weten een Audi Q2 uit 2016, waarbij [gedaagde] handelde in de uitoefening van zijn bedrijf, zodat ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde is.
2.3. [gedaagde] heeft bij antwoord laten weten dat hij de vordering erkent. [gedaagde] heeft ook laten weten dat hij de onderhavige overeenkomst zowel in privé als bedrijfsmatig heeft gesloten. De overeenkomst is online gesloten, of via e-mail. [gedaagde] werkt aan zijn financiële problemen en wil graag een betalingsregeling.
2.4. Geoordeeld wordt dat, mede gelet op het antwoord van [gedaagde] , vooralsnog onvoldoende vaststaat dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst handelde voor doeleinden die (hoofdzakelijk) binnen zijn bedrijfs - of beroepsactiviteiten vallen. Dat (hoofdzakelijke) bedrijfsmatige gebruik blijkt ook niet aanstonds uit de gesloten leaseovereenkomst.
2.5. Het begrip consument is een objectief begrip. Van belang is met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van de goederen of diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (HvJEU 3 september 2015, C-110/14, Costea, ECLI:EU:C:2015:538).
2.6. Nu het leaseobject een personenauto is, die naar zijn aard ook in privé kan worden gebruikt, terwijl [gedaagde] ook zelf verklaart dat hij de overeenkomst zowel privé als zakelijk sloot, staat het bedrijfsmatige gebruik nog niet vast.
2.7. Aangezien [gedaagde] in de procedure is verschenen, wordt aanleiding gezien een mondelinge behandeling te gelasten op een nader te bepalen datum. Daar zal onder meer worden besproken de feitelijke totstandkoming van de overeenkomst: hoe [gedaagde] bij Volkswagen terecht is gekomen (de overeenkomst maakt melding van een kredietbemiddelaar, DTC Online), welke informatie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst door of namens Volkswagen aan [gedaagde] is verstrekt en wat [gedaagde] daaruit heeft mogen begrijpen voor wat betreft het beoogde gebruiksdoel van de auto. Daarnaast zal worden besproken, indien daartoe aanleiding bestaat, de gevolgen van ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht.
2.8. Als [gedaagde] uiteindelijk als consument moet worden aangemerkt, komt hem consumentenbescherming toe. Voor die situatie dient Volkswagen zich op voorhand, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.10, ook uit te laten over de wijze waarop zij heeft voldaan aan de informatieplichten, de bedingen te noemen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd en een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van die bedingen in de zin van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
2.9. De kantonrechter wijst erop dat hij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die hij geraden zal achten.
2.10. Stukken dienen uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en de wederpartij te worden toegestuurd.
2.11. Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
2.12. De kantonrechter wijst partijen erop dat zij op de hierna vermelde roldatum
(3 oktober 2025) nog niet hoeven te verschijnen, maar dat (uiterlijk) op die datum slechts hun verhinderdata schriftelijk kunnen worden doorgegeven. Daarna zal een datum voor de mondelinge behandeling worden bepaald. Die wordt schriftelijk aan partijen kenbaar gemaakt.
2.13. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3 De beslissing
De kantonrechter
3.1. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, Volkswagen bijgestaan door haar gemachtigde, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een schikking, door mr. C.W. Inden, in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 280, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
3.2. bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig moet zijn en Volkswagen dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van deze zaak – en bij voorkeur ook van deze overeenkomst – op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van vrijdag 3 oktober 2025 om 10.00 uur voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen in de maanden oktober 2025 tot en met februari 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
3.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
3.5. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
3.6. wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 60 minuten zal worden uitgetrokken,
3.7. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.
991