Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7228 - Rechtbank Amsterdam - 18 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7228•18 juli 2025
Uitspraak inhoud
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10982694 CV EXPL 24-2652
vonnis van: 18 juli 2025
fno.: 364
I n z a k e
gevestigd te Amsterdam
eiseres, nader te noemen: OLVG
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders (Groningen)
t e g e n
wonende te [woonplaats]
gedaagde, nader te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon.
Op 14 februari 2025 heeft de kantonrechter bij rolmededeling laten weten graag te vernemen of OLVG de factuur van 22 mei 2023 alsnog zelf kon indienen bij Zilveren Kruis en als dat niet mogelijk was, waarom niet. OLVG heeft daarop een akte genomen, waarop [gedaagde] heeft gereageerd.
Vervolgens is opnieuw een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
- OLVG heeft een standaard prijs voor de behandeling bij [gedaagde] in rekening gebracht en vordert daarvan in deze procedure betaling. Over deze prijs is niet afzonderlijk onderhandeld en [gedaagde] kon hierop geen invloed hebben. Dit prijsbeding moet daarom ambtshalve worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. De beoordeling van het oneerlijke karakter van een prijsbeding is alleen aan de orde als het prijsbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (artikel 4 lid 2 van de richtlijn). In dit kader is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14).
- Gesteld noch gebleken is dat OLVG [gedaagde] voorafgaande aan de behandeling over de prijs heeft geïnformeerd. De uitzondering van artikel 4 lid 2 van de richtlijn gaat daarom niet op, zodat het prijsbeding op oneerlijkheid moet worden getoetst.
Dat een prijsbeding niet transparant is, leidt nog niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. Volgens artikel 3 lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst (waarover niet afzonderlijk is onderhandeld), als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren. Dat is hier het geval. Door de prijs van de behandeling van te voren niet aan [gedaagde] mee te delen, heeft OLVG hem de mogelijkheid ontnomen om te beslissen of hij de behandeling op dat moment wel wilde ondergaan tegen die prijs. Sterker, [gedaagde] heeft zelf aangevoerd dat als hij de prijs had geweten, hij de behandeling niet had ondergaan. Daarbij geldt dat ingevolge artikel 38 lid 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg OLVG verplicht is om [gedaagde] tijdig en zorgvuldig te informeren over het voor de prestatie in rekening te brengen tarief. Dit artikel is door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) nader uitgewerkt in artikel 4 en 5 van de Regeling transparantie zorgaanbieders TH/NR-018, waaruit volgt dat OLVG [gedaagde] had moeten informeren over datgene dat voor hem van belang was om een weloverwogen keuze te maken om zorg te vergelijken en te ontvangen, over tarieven die voor hem van belang waren, of de te leveren prestaties of diensten verzekerd waren en of [gedaagde] zelf een bedrag moest betalen. Die informatieplicht ligt, anders dan toentertijd bepaald in de algemene voorwaarden van OLVG, niet bij de patiënt maar bij OLVG.
- Gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn is [gedaagde] niet aan het oneerlijke prijsbeding gebonden. Als gevolg daarvan kan de overeenkomst niet blijven voortbestaan. Nu het, vanwege het oneerlijke prijsbeding, niet redelijk is om op grond van ongedaanmaking (artikel 6:203 lid 3 jo. 6:210 lid 2) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) alsnog een (schade)vergoeding te vragen, wordt vastgesteld dat [gedaagde] van het vervallen van de overeenkomst geen uiterst nadelige gevolgen ondervindt. Daarbij wordt opgemerkt dat de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komt wanneer OLVG alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen terwijl zij een oneerlijk prijsbeding hanteert. Voorgaande houdt in dat het niet noodzakelijk is de overeenkomst aan te vullen om ervoor te zorgen dat deze kan voortbestaan (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
- Nu de overeenkomst is vervallen, heeft [gedaagde] geen betalingsverplichting tegenover OLVG. De vordering wordt dan ook afgewezen.
- OLVG wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
BESLISSING
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt OLVG in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025 in tegenwoordigheid van mr. T.C. van Andel, griffier.