Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:7105 - Rechtbank Amsterdam - 25 september 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:710525 september 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/47

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het Algemeen Bestuur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. van Griethuysen).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 19 december 2024 (de bestreden uitspraak).
1.1. Met het primaire besluit van 28 september 2024 heeft de verweerder aan eiser een aanslag waterschapsbelasting voor belastingjaar 2024 opgelegd voor de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] voor het bedrag van € 496,12.
1.2. Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft het bezwaar ambtshalve in behandeling genomen en heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.5. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

  1. Eiser komt in zijn beroep op tegen de aanslag van 28 september 2024 waarbij aan hem de waterschapsbelasting, waaronder de watersysteemheffing gebouwd, de watersysteemheffing ingezetenen en de zuiveringsheffing woonruimten zijn opgelegd. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  1. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard?
  1. De rechtbank beoordeelt eerst of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
  1. Eiser stelt dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard is, nu hij wel op tijd bezwaar heeft gemaakt. Eiser stelt op 7 oktober 2024 zowel via aangetekende post als via de mail bezwaar te hebben gemaakt. Op 17 oktober 2024 heeft verweerder een ontvangstbevestiging van het bezwaar verzonden.
  1. Verweerder erkent dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is echter wel ambtshalve inhoudelijk behandeld.
  1. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Het is niet aannemelijk dat de eiser is benadeeld, omdat het bezwaar wel inhoudelijk is behandeld. Daarom passeert de rechtbank het gebrek in het kader van efficiënte rechtspleging.
Heeft verweerder de hoogte van de opgelegde aanslag juist vastgesteld?
  1. Eiseres stelt dat de verhoging van de waterschapsbelasting onrechtmatig en onredelijk is, omdat deze in belangrijke mate voortkomt uit interne organisatorische problemen bij de verweerder. Bovendien is er sprake van een dubbele stijging van de watersysteemheffing ingezetene, omdat deze wordt bepaald als percentage van de WOZ-waarde[1]. Hierbij stijgt zowel het percentage, als de WOZ-waarde zelf. Eiser meent dat toegang tot water ten onrechte als verdienmodel gebruikt wordt door verweerder en dat er sprake is van détournement de pouvoir, of misbruik van macht. Eiser vraagt de rechter daarom de discretionaire bevoegdheden van verweerder in te perken.
  1. Verweerder voert aan dat het waterschap belastingen heft om de kosten van het watersysteembeheer en het zuiveringsbeheer te dekken. Het waterschap maakt geen winst en geen verlies. Het was noodzakelijk om de tarieven te verhogen om financiële problemen in relatie tot de taakuitvoering van het waterschap te voorkomen. De recente tariefstijging wordt vooral veroorzaakt door noodzakelijke investeringen in het watersysteem en de rioolwaterzuivering wegens klimaatverandering, de toenemende complexiteit van het waterbeheer door de eisen aan schoon (gezuiverd) water en bescherming tegen wateroverlast en droogte. Hoewel het waterschap jarenlang reserves heeft aangewend om belastingtarieven te dempen, is dit op dit moment niet langer voldoende. Verweerder geeft bovendien aan dat belastingtarieven worden opgenomen in de belastingverordeningen van het waterschap die worden vastgesteld door het democratisch gekozen algemeen bestuur van het waterschap, en belastingverordeningen staan in beginsel niet open voor bezwaar of beroep.
  1. De rechtbank is in beginsel niet bevoegd om over het in de Verordening vastgelegde tarief te oordelen, tenzij deze tariefstelling in strijd is met een hogere wettelijke regeling, leidt tot willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van deze bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad of in strijd is met enig rechtsbeginsel.
  1. Op grond van artikel 110 van de Waterschapswet is het vaststellen van een belastingverordening een bevoegdheid van het algemeen bestuur. Op grond van artikel 111 van de Waterschapswet is de vaststelling van de tarieven een zelfstandige bevoegdheid van het algemeen bestuur. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden heeft het algemeen bestuur beleidsvrijheid. De rechtbank is niet bevoegd zich uit te laten over de bedrijfsvoering van organisaties, ook niet als het gaat om een overheidsinstantie. De vaststelling van het tarief van de waterschapsbelasting is een zelfstandige bevoegdheid van het Hoogheemraadschap. De rechtbank volgt de toelichting van verweerder en acht het niet onredelijk dat de kosten voor onder meer de noodzakelijke investeringen en de kosten voor de bedrijfsvoering worden doorberekend aan de inwoners van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Gezien de duidelijke onderbouwing[2] en de beleidsvrijheid die het algemeen bestuur toekomt, is er geen reden om aan te nemen dat de heffing in strijd is met de Waterschapswet of enige hogere wettelijke regeling.
  1. De opmerking van eiser dat er sprake is van een dubbele stijging van de heffing, is geen omstandigheid die in de procedure over de waterschapsbelasting aan de orde kan worden gesteld. De heffingsmaatstaf waterschapsbelasting betreft de waarde zoals die is bepaald op voet van Hoofdstuk 4 van de Wet WOZ. Verweerder heeft geen invloed op de hoogte van de WOZ-waarde, nu deze uit de wet volgt. De vaststelling van de heffingsmaatstaf door verweerder is niet in strijd met hogere wetgeving.
  1. Van overtreding van het verbod van détournement de pouvoir is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook geen sprake en in wat eiser verder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een overschrijding van de beleidsvrijheid. De rechtbank concludeert dat de aanslag terecht is gehandhaafd.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden, omdat het bewaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard is. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51, - aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.W. van de Kar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 september 2025
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De waarde van een onroerende zaak zoals vastgesteld volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
Zie bijvoorbeeld ook de begroting: https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2023-52387/1/bijlage/exb-2023-52387.pdf. - - - ## Voetnoten
De waarde van een onroerende zaak zoals vastgesteld volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
Zie bijvoorbeeld ook de begroting: https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2023-52387/1/bijlage/exb-2023-52387.pdf.