Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7005 - Rechtbank Amsterdam - 9 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:7005•9 september 2025
Rechtsgebieden
Uitspraak inhoud
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/774465 / FA RK 25/6353
kenmerk: ZM/IND/175118
Beslissing op het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging
Beschikking van 9 september 2025van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verblijvende te [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. S.J. de Vries te Zwolle.
1 Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 september 2025, in het gebouw van GGZ inGeest, op de locatie [locatie] .
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord: - betrokkene; - bovengenoemde advocaat; - behandelend arts, de heer [naam] .
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet ter zitting verschenen*.*
2 Standpunten ter zitting
2.1. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij al 5 jaar niet thuis is geweest en dat hij nu graag weer terug naar huis wil naar zijn echtgenote en zijn kinderen. Hij is plotseling uit zijn woning gehaald, waarna hij 5 jaar in verschillende verpleeghuizen heeft gezeten. Betrokkene is van mening dat hij weer naar huis kan en dat hij weer bij zijn oude baas aan het werk kan. Hij heeft in deze kliniek meerdere ECT-behandelingen gehad en dat was heel heftig en dat vond hij vreselijk. Dat wil hij echt niet meer.
2.2. De arts heeft ter zitting medegedeeld dat betrokkene sinds vijf jaar in verschillende instellingen heeft verbleven vanwege veranderingen in zijn psychisch functioneren, cognitief functioneren en gedrag wat langere tijd geduid werd als vermoedelijk fronto-temporale dementie. Betrokkene werd aangemeld voor een second-opinion bij GGZ inGeest, omdat er geen verslechtering optrad door de jaren heen en ook de eerdere MRI-scan niet afwijkend was. Tijdens de huidige opname werd verder uitgebreid aanvullend onderzoek en genetisch onderzoek uitgevoerd en kon de diagnose fronto-temporale dementie worden uitgesloten. De huidige diagnose is late-onset schizofrenie waarvoor verdere behandeling noodzakelijk wordt geacht. Op dit moment is er nog sprake van negatieve symptomen (zoals initiatiefverlies), cognitieve symptomen, (zoals overzichtsverlies) en positieve symptomen (zoals auditieve hallucinaties). Daarnaast werden aan het begin van de opname een deel van de klachten als bijkomende katatonie geduid, waarop de ECT goed effect had. Verdere behandeling met ECT zou mogelijk tot nog meer verbetering leiden, maar de artsen weten dat betrokkene daar veel weerstand tegen heeft. Hierover zal dus nog verder gesproken worden. Betrokkene wordt nu ingesteld op haldol. Doel van vervolgbehandeling is zodoende optimaliseren farmacotherapie (ophogen haldol en bij uitblijven remissie een switch naar clozapine), systeemtherapie en psychotherapie omtrent de diagnose. Doordat er op dit moment geen ziekte-inzicht is, is bespreken van vervolgbehandeling met betrokkene niet goed mogelijk. Betrokkene kan niet uitleggen waarvoor hij opgenomen is of welke medicatie hij krijgt. Ook ontkent hij dat er sprake is van systeemproblematiek (zijn echtgenote wil een echtscheiding) waardoor hij op dit moment niet meer terug kan keren naar zijn eigen woning in [woonplaats] . Betrokkene wil graag in eigen regio behandeld worden en zodoende wordt gekeken naar overplaatsing naar [geboorteplaats] . Betrokkene staat op dit moment open voor medicatie, maar door het huidig toestandsbeeld lijkt hij echter niet te begrijpen welk middel hij krijgt en waarom hij dat krijgt. De arts heeft voorts toegelicht dat de laatste WZD-machtiging afliep op 2 juli 2025 en dat de zorgmachtiging eind juli 2025, helaas niet aansluitend, is aangevraagd, omdat er lange tijd onduidelijkheid was over de vraag of hij nog onder de WZD viel of toch, zoals uiteindelijk beslist, onder de WVGGZ.
2.3. De advocaat heeft namens betrokkene afwijzing van het onderhavige verzoek bepleit omdat betrokkene een zorgmachtiging niet nodig vindt en omdat hij bereid is tot een behandeling op vrijwillige basis. Betrokkene is het met sommige dingen niet eens, maar in de praktijk werkt hij wel aan alles mee. De WZD-machtiging is begin juli verlopen en daarna is betrokkene zonder machtiging behandeld. De advocaat overweegt een schadevergoedingsverzoek in te dienen.
3 Beoordeling
3.1. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van late onset schizofrenie.
3.2. Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in*:* - levensgevaar; - ernstige psychische schade; - maatschappelijke teloorgang.
3.3. Om het ernstig nadeel af te wenden heeft betrokkene zorg nodig.
3.4. De rechtbank volgt het voornoemde betoog van de advocaat niet. Naar het oordeel van de rechtbank is een zorgmachtiging nog wel noodzakelijk. Op basis van de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de rechtbank gebleken dat betrokkene verdere ondersteuning en behandeling nodig heeft vanuit de zorgmachtiging om te voorkomen dat hij stopt met de behandeling met alle gevolgen van dien. Op dit moment gaat het beter met betrokkene juist door de behandeling en met name de medicatie. Betrokkene denkt daar soms anders over en om die reden vindt de rechtbank het op dit moment niet verantwoord om de zorg in het vrijwillig kader te verlenen. Het is van belang dat de behandelaars nauw betrokken blijven om de psychische gezondheid van betrokkene te monitoren en zo nodig ingrijpen bij een verslechtering daarvan. Betrokkene zal binnen afzienbare tijd worden overgeplaatst naar de eigen regio en er moet een goed plan gemaakt worden over hoe het verder moet en of betrokkene nog thuis kan gaan wonen. Het is daarom belangrijk dat het goed blijft gaan met betrokkene. De rechtbank is van oordeel dat door de arts voldoende gemotiveerd is dat betrokkene binnen de veilige en gestructureerde kaders van de accommodatie gestabiliseerd dient te worden. Die stabilisatie is nu nog niet bereikt.
3.5. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk:
De rechtbank zal verplichte zorg in de vorm van 'insluiten' en 'uitoefenen van toezicht op betrokkene'
niet toewijzen omdat onvoldoende is onderbouwd dat dit in de toekomst nodig is. Indien dit op enig moment toch nodig mocht zijn dan kan er een wijziging zorgmachtiging worden ingediend.
3.6. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
3.7. De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
3.8. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 6 maanden.
4 Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] , inhoudende dat gedurende de looptijd van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 3.5. genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 9 maart 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 9 september 2025 mondeling gegeven door mr. A. van Luijck, rechter, en in het openbaar uitgesproken, bijgestaan door J. Koomen als griffier en op 15 september 2025 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.