Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:6992 - Rechtbank Amsterdam - 9 september 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:69929 september 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4237
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
  1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom een voorlopige voorziening te treffen en voert daartoe een aantal gronden aan.

Procesverloop

  1. Verzoeker heeft op 21 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juni 2025 afgewezen, omdat verzoeker niet de informatie heeft gegeven die het college heeft gevraagd. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw is verzoeker gehouden medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Pw. Verzoeker heeft hier niet aan voldaan omdat hij niet is verschenen op de uitnodigingen voor gesprekken op 26 mei 2025 en 2 juni 2025. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college. Verzoeker was niet aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
  1. De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de overgelegde stukken en hetgeen naar voren is gebracht op de zitting niet blijkt dat sprake is van een dergelijk spoedeisend belang waarvoor een voorlopige voorziening getroffen dient te worden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt.
  1. Verzoeker voert aan dat hij in een financieel onhoudbare situatie verkeert.
  1. Uit de processtukken blijkt dat verzoeker sinds 1 januari 2013 geen werk meer heeft. Van 4 oktober 2024 tot en met 5 januari 2025 ontving verzoeker een uitkering naar de gezinsnorm. De uitkering is beëindigd, dan wel ingetrokken, in verband met het vertrek van zijn partner. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker aangegeven dat verzoeker tijdelijk woonachtig is in de woning van zijn ouders die momenteel in Marokko verblijven, waardoor hij geen kosten heeft voor huisvesting. Bovendien wordt hij ondersteund door vrienden en familie. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het tijdelijk onderdak en de ondersteuning die hij ontvangt dreigt weg te vallen of dat vrienden of familie niet langer in staat zijn verzoeker te ondersteunen. Verzoeker heeft daarmee een vangnet waardoor niet aannemelijk is dat er op dit moment sprake is van een acute financiële noodsituatie. Hierdoor is er geen sprake van onverwijlde spoed die de voorzieningenrechter noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.
  1. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de wens van verzoeker om eigen inkomsten te hebben en daarmee een eigen woning te regelen, waar hij zijn kinderen makkelijker zou kunnen zien, is dit onvoldoende reden voor het oordeel dat een voorlopige voorziening getroffen dient te worden. Niet is gebleken dat verzoeker de bezwaarprocedure niet kan afwachten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: