Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:6727 - Rechtbank Amsterdam - 18 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:6727•18 juni 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/379, 23/625, 23/1293 en 23/1544
(gemachtigde: mr. B.M.C.F. de Groen),
(gemachtigde: mr. A.A.M. van der Linden),
(gemachtigde: mr. B.M.C.F. de Groen),
[eisers 2]
<footnoteReference id="_26b0b003-e35b-43e2-95e2-9d5117bd0de7">[1]</footnoteReference>, uit [woonplaats 1], hierna: [eisers 2],
(gemachtigde: mr. G. Kranendonk),
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
en
(gemachtigde: mr. R. Meyer).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder] uit Aalsmeer (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers).
Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning van 24 mei 2022 voor de bouw van een gezondheidscentrum met daarboven zes appartementen op de locatie [adres 1] [nummer 1] en [adres 2] [nummer 2] in Aalsmeer.
In de tussenuitspraak van 23 oktober 2024, waarin het verdere procesverloop is beschreven en is geoordeeld dat aan de verleende omgevingsvergunning een gebrek kleeft, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek te herstellen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
[eiser 2], [eisers 1] en [eisers 2] hebben hier schriftelijk op gereageerd. Het college en vergunninghouder hebben op deze reacties gereageerd.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
- Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
[2]
- In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de verkeersveiligheid ten onrechte niet bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening heeft betrokken. De rechtbank heeft daartoe allereerst overwogen dat sprake is van een toename van het aantal parkeerplaatsen waar dat volgens het bestemmingsplan niet mogelijk was. Daarnaast is sprake van een uitbreiding van het bouwvolume waardoor een intensiever gebruik van de grond mag worden verwacht dan in het bestemmingsplan is voorzien. Gelet op de vergunde afwijkingen van het bestemmingsplan kan dus een verandering en toename van verkeersstromen worden verwacht die niet is betrokken bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. De gevolgen daarvan voor de verkeersveiligheid had het college daarom moeten onderzoeken en betrekken bij zijn afweging om de omgevingsvergunning al dan niet te verlenen.
- Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college aan mobiliteitsonderzoeksbureau [naam 1] een opdracht verstrekt om in kaart te brengen hoe de vergunde strijdigheden met het bestemmingsplan zich verhouden tot de maximale verkeersgeneratie die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
- Op 29 januari 2025 heeft [naam 1] een rapport uitgebracht waarin het de verkeersgeneratie voor de toename van het plan ten opzichte van het bestemmingsplan heeft berekend met behulp van CROW-kencijfers. [naam 1] heeft geconcludeerd dat de theoretische verkeerstoename als gevolg van de uitbreiding ongeveer 49 motorvoertuigen (mvt) per etmaal op een gemiddelde weekdag, tot 65 mvt per etmaal op een gemiddelde werkdag is. In de spitsperiode bedraagt de toename vijf tot zes mvt per drukste uur. Dit komt neer op ongeveer één extra auto per tien tot twaalf minuten. [naam 1] heeft geconcludeerd dat de verkeerstoename dermate beperkt is dat dit niet leidt tot een waarneembaar effect in de kwaliteit van de verkeersafwikkeling. Ook zal deze beperkte verkeerstoename geen waarneembare invloed hebben op de verkeersveiligheid, te meer omdat de verkeerstoename verspreid over de wegvlakken in de omgeving van de ontwikkellocatie wordt afgewikkeld. Daarmee gaat de verkeerstoename snel op in het heersende verkeersbeeld. Verder staat in het rapport van [naam 1] dat de geregistreerde verkeersongevallen in de bestaande situatie een indicatie zijn voor de verkeersveiligheid. In de periode januari 2020 – december 2024 zijn er geen ongevallen geregistreerd op de [adres 2] en/of op het kruispunt tussen de [adres 2] – [adres 1]. Op het wegvlak van de [adres 1] in de nabijheid van de ontwikkellocatie zijn slechts twee ongevallen geregistreerd. Dit is geen verontrustend beeld, aldus [naam 1].
- Naar aanleiding van dit rapport heeft het college geconcludeerd dat de vergunde afwijkingen van het bestemmingsplan niet leiden tot een verkeersonveilige situatie. De vergunde afwijkingen zijn daarom volgens het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Beoordelingskader
- De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het college het geconstateerde gebrek heeft hersteld.
- Eisers stellen zich op het standpunt dat het college het gebrek niet heeft hersteld. Zij hebben hiertoe verschillende argumenten aangevoerd. De rechtbank zal deze argumenten hieronder beoordelen.
- Voordat de rechtbank daartoe overgaat, overweegt zij dat het college op 31 maart 2025 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning heeft verleend voor het aanleggen van een in - en uitrit ten behoeve van de nieuwbouw. Deze omgevingsvergunning ligt in de onderhavige procedure niet voor. De rechtbank zal deze omgevingsvergunning daarom niet in haar beoordeling betrekken.
Zorgvuldigheid
- [eiser 2], [eisers 1] en [eisers 2] voeren aan dat het rapport van [naam 1] onzorgvuldig tot stand is gekomen. [naam 1] heeft het aantal behandelkamers namelijk ten onrechte berekend op 1,48. Uit de omgevingsvergunning en het advies van de bezwaarschriftencommissie blijkt dat ruimte is voor vier behandelkamers. Daarnaast gaat [naam 1] er ten onrechte van uit dat sprake is van een toename van twee appartementen. Er is namelijk een toename van drie appartementen. [eisers 1] voert aan dat, hoewel [naam 1] heeft aangegeven uit te gaan van een weinig stedelijk gebied, in de stukken staat dat het project in een stedelijk gebied ligt. Verder is feitelijk onjuist dat het verzorgingsgebied van de [vergunninghouder] gelijk zou blijven. Uit de plannen komt immers een vergroting van het aanbod in zorg naar voren. Dit leidt tot een intensiever gebruik van de uitrit. Daarnaast heeft [naam 1] zich ten onrechte beperkt tot de zeer directe omgeving van het nieuwe gezondheidscentrum en geen rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen in de buurt. [eiser 2] en [eisers 2] voeren aan dat [naam 1] ten onrechte alleen heeft gekeken naar de planologische afwijking en niet ook naar de vergunde inrichting in zijn geheel ten opzichte van de voorheen aanwezige feitelijke situatie. [naam 1] heeft volgens [eiser 2] en [eisers 2] verder niet meegewogen dat de breedte van de weg ter plaatse niet voldoet aan de uitgangspunten Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom (ASVV). [eisers 1] betoogt verder dat [naam 1] ten onrechte geen onderzoek ter plaatse heeft gedaan. De wijziging van de zichtlijn heeft effect op de verkeerssituatie. Bij [eisers 1] speelt de vrees dat voetgangers uit de richting van de [adres 1] gevaar lopen, omdat zij auto's niet vanuit de uitrit zien aankomen. Het pand ontneemt hen namelijk het zicht. [eisers 2] voeren aan dat [naam 1] niet heeft onderbouwd dat sprake is van voldoende zicht bij de uitrit. Tot slot betogen [eisers 2], [eiser 2] en [eisers 1] dat [naam 1] ten onrechte heeft nagelaten om de verkeersveiligheid fysiek ter plaatse te beoordelen.
- De rechtbank moet beoordelen of het college in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de gevolgen van de verleende afwijkingen van het bestemmingsplan niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het gaat hierbij concreet om de gevolgen voor de verkeersveiligheid. Voor zover het vergunde bouwplan past binnen het bestemmingsplan heeft die toets al plaatsgevonden bij de vaststelling daarvan en ligt dat in deze procedure dus niet voor. De gronden over de nieuwe ontwikkelingen in de buurt, dat [naam 1] naar de vergunde inrichting in zijn geheel ten opzichte van de voorheen aanwezige feitelijke situatie heeft moeten kijken en dat de breedte van de weg niet voldoet aan de uitgangspunten van de ASVV, slagen niet. Deze gronden hebben immers geen betrekking op de afwijking van het bestemmingsplan, zoals die met de verleende omgevingsvergunning is vergund.
- De rechtbank is verder van oordeel dat [naam 1] terecht is uitgegaan van een toename van twee appartementen. Alleen de realisatie van de twee bovenste appartementen is immers in strijd met het bestemmingsplan. Over het aantal behandelkamers heeft [naam 1] geconcludeerd dat de omvang van het project 74 m² groter is dan het bestemmingsplan toelaat. Eisers hebben dit cijfer niet weersproken. Uitgaande van een gemiddelde omvang per behandelkamer van 50 m² heeft [naam 1] de toename van de behandelkamers vastgesteld op 1,48. [naam 1] heeft niet uit hoeven gaan van (alle) vier behandelkamers, omdat ook onder het bestemmingsplan de aanwezigheid van behandelkamers al was toegestaan.
- Ook de grond dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van voldoende zicht slaagt niet. Uit de e-mail van 15 januari 2025 van [naam 2], [functie] bij de gemeente Aalsmeer, volgt dat de inrit destijds op basis van de toenmalige bestemming is vergund en verkeersveilig is bevonden. Ook in de nieuwe situatie is sprake van voldoende zicht op en vanaf de openbare weg om in - en uitrijden op een veilige manier te laten plaatsvinden. Het aantal te verwachten inrijbewegingen is passend bij de functies die het bestemmingsplan mogelijk maakt en is ook passend bij de inrichting en locatie van de inrit. Gelet op de deskundigheid van deze adviseur en het ontbreken van een (deskundig) tegenrapport, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze conclusies te twijfelen.
- Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat [naam 1] ten onrechte is uitgegaan van een weinig stedelijk gebied. [eisers 1] heeft niet geconcretiseerd waaruit blijkt dat moet worden uitgegaan van een stedelijk gebied en welk relevant gevolg dat zou hebben.
Ongevallen
- [eisers 1], [eisers 2] en [eiser 2] betogen dat [naam 1] de verkeersveiligheid ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van geregistreerde ongevallen. Dit is immers geen maatstaf om de verkeersveiligheid te beoordelen. [eisers 2] voeren aan dat door het intensievere en gewijzigde gebruik ter plaatse meer ongelukken zullen plaatsvinden. Het bezoek aan een huisarts is vaak onverwacht en er is sprake van een spoedsituatie met gevolgen voor de snelheid en de verminderde alertheid om andere verkeersdeelnemers tijdig te ontzien. [eiser 2] voert aan dat het algemeen bekend is dat de registratiegraad van verkeersongevallen relatief laag ligt.
- Deze grond slaagt niet. [naam 1] heeft in het rapport onderkend dat het aantal geregistreerde ongevallen slechts een indicatie is van de verkeersveiligheid. [naam 1] heeft de verkeerstoename berekend met behulp van kencijfers van het CROW. Het aantal geregistreerde ongevallen is dan ook niet doorslaggevend geweest. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het aantal verkeersongevallen ter plaatse (aanzienlijk) hoger is dan het aantal waar [naam 1] vanuit is gegaan. De grond slaagt niet.
Vergewisplicht
- [eisers 2] voeren aan dat het college niet aan de vergewisplicht heeft voldaan. [naam 1] heeft namelijk niet in zijn rapport verwerkt dat voldaan moet worden aan de parkeernormen. Bij de beoordeling van de verkeersveiligheid moest het college ingaan op de beroepsgronden van 3 augustus 2024, waarin [eisers 2] zijn ingegaan op de verkeersonveilige situatie ter plaatse en de gevolgen van het realiseren van parkeerplaatsen en het toevoegen van functies voor die al bestaande situatie. Dit heeft het college slechts in geringe mate gedaan.
- Ook deze grond slaagt niet. Het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek ziet immers niet op het realiseren van parkeerplaatsen en de vraag of daarmee aan de parkeernormen wordt voldaan, maar op de gevolgen van afwijking van het bestemmingsplan voor de verkeersveiligheid. Het is de rechtbank niet gebleken dat het rapport van [naam 1] in zoverre onjuistheden bevat of onnavolgbaar is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de vergewisplicht heeft geschonden.
Conclusie
- Omdat de beslissing op bezwaar een gebrek bevat, zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar. Omdat het college het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.
- Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook moet het college de proceskosten van eisers vergoeden.
- Voor de zaken met zaaknummers 23/625, 23/1293 en 23/1544 wordt de proceskostenvergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 907,-en een wegingsfactor 1). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 2.267,50 per zaak.
- In de zaak 23/379 is na de bestuurlijke lus geen schriftelijke zienswijze ingediend. Voor deze zaak wordt de proceskostenvergoeding daarom als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 1.814,-.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar in stand blijven; - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184, - aan eisers te vergoeden; - veroordeelt het college in de proceskosten van [eisers 1], [eisers 2] en [eiser 2] tot een bedrag van € 2.267,50; - veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser 1] tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter, en mr. T.L. Fernig-Rocour en mr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
[eisers 2]
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694). - - - ## Voetnoten