Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:6726 - Rechtbank Amsterdam - 18 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:672618 juli 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4978

[eisers], uit [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. C. Vos).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [belanghebbenden] uit Amsterdam (hierna: belanghebbende).

Samenvatting

  1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat het college niet bevoegd was om aan eisers een last onder dwangsom op te leggen voor het verwijderen en verwijderd houden van voorzetramen. Het college heeft eisers namelijk ten onrechte als overtreders aangemerkt*.* Eisers krijgen dus gelijk. Dit betekent dat ook de begunstigingstermijn ten onrechte is verlengd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Waar gaat deze zaak over?

  1. Eisers wonen op de [adres 1] in Amsterdam. Dit pand is in 1970 ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Belanghebbende is de buurman van eisers en woont op de [adres 2]. Op 22 juni 2022 heeft belanghebbende bij het college een handhavingsverzoek ingediend vanwege verschillende overtredingen bij de woning van eisers.
  1. Naar aanleiding van dit handhavingsverzoek heeft een toezichthouder op 14 juli 2022 en op 22 januari 2024 controles uitgevoerd bij de woning van eisers.
  1. Op 5 maart 2024 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft eisers gelast het dakterras op het dak van het tussenlid te verwijderen en verwijderd te houden en de voorzetramen ter plaatse van de voorgevel en ter hoogte van de beletage te verwijderen en verwijderd te houden. Als eisers de last niet op tijd en volledig uitvoeren, moeten zij een dwangsom betalen van € 15.000,-.
  1. Eisers hebben tegen de last onder dwangsom bezwaar gemaakt. Op 24 juli 2024 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
  1. Op 26 september 2024 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot zes weken nadat de beroepsprocedure tot een einde is gekomen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar als beroepschrift naar de rechtbank doorgestuurd.
  1. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. C.W.C. Bonnet. Belanghebbende is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote.

Beoordeling door de rechtbank

Het toetsingskader
  1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Aangezien het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 is ingediend, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in deze zaak van toepassing.
  1. De rechtbank stelt vast dat het college de begunstigingstermijn tijdens de beroepsprocedure heeft verlengd. Dit besluit is daarom van rechtswege onderwerp van dit geschil.[1] Belanghebbende is het niet eens met de verlenging van de begunstigingstermijn en heeft daartegen argumenten aangevoerd.
  1. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure twee vragen moet beantwoorden. Allereerst moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het college de last onder dwangsom terecht aan eisers heeft opgelegd. De rechtbank moet daarna de vraag beantwoorden of het college de begunstigingstermijn terecht heeft verlengd tot zes weken nadat de beroepsprocedure tot een einde is gekomen.
Heeft het college de last terecht aan eisers opgelegd?
  1. De rechtbank stelt vast dat voor het dakterras inmiddels een vergunning is verleend en dat het beroep van eisers zich daarom alleen richt tegen het verwijderen en verwijderd houden van de voorzetramen.
  1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college eisers terecht als overtreders heeft aangemerkt. Eisers vinden van niet. Zij voeren hiertoe aan dat zij artikel 2.3a van de Wabo niet hebben overtreden. De voorzetramen waren immers al aanwezig toen zij hun woning in 1990 kochten. Aangezien de voorzetramen dus al vóór 2007 waren geplaatst, hoefden zij niet te onderzoeken of de voorzetramen al dan niet legaal waren geplaatst.
  1. Desgevraagd heeft het college op de zitting onderkend dat, vanwege de door eisers genoemde rechtspraak, artikel 2.3a van de Wabo geen grondslag biedt voor handhavend optreden. De rechtbank volgt dat[2]. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat aan de last om de voorzetramen te verwijderen en verwijderd te houden niet artikel 2.3a van de Wabo, maar uitsluitend artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, ten grondslag is gelegd.
  1. De rechtbank overweegt dat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo verbiedt om zonder vergunning een rijksmonument te slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen. Dit artikel verbiedt echter niet het in stand houden van een wijziging die zonder vergunning heeft plaatsgevonden.
  1. Niet in geschil is dat de voorzetramen al aanwezig waren toen eisers in 1990 hun woning kochten. Dit betekent dat eisers de voorzetramen niet zelf hebben geplaatst, maar deze slechts hebben laten staan. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het college eisers ten onrechte heeft aangemerkt als overtreders van artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo. Aangezien een last onder dwangsom alleen aan een overtreder kan worden opgelegd, was het college niet bevoegd om voor de voorzetramen een last onder dwangsom aan eisers op te leggen.[3]
  1. Dit betekent dat het beroep gegrond is en de rechtbank de beslissing op bezwaar zal vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de last onder dwangsom te herroepen voor zover die ziet op het verwijderen en verwijderd houden van de voorzetramen, en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar.
De verlenging van de begunstigingstermijn
  1. Gelet op het bovenstaande behoeven de argumenten van belanghebbende tegen het verlengen van de begunstigingstermijn geen bespreking meer. Aangezien het college niet bevoegd was om aan eisers een last onder dwangsom op te leggen voor het verwijderen en verwijderd houden van de voorzetramen, heeft hij de begunstigingstermijn ook niet kunnen verlengen.
  1. Dit betekent dat ook het beroep tegen het besluit van 26 september 2024 gegrond is en de rechtbank dit besluit zal herroepen.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en herroept de last onder dwangsom voor zover die ziet op het verwijderen en verwijderd houden van de voorzetramen.
  1. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1).
  1. Ook het beroep tegen het besluit van 26 september 2024 is gegrond en de rechtbank herroept dit besluit. Het college hoeft geen griffierecht of proceskosten aan belanghebbende te vergoeden. Belanghebbende heeft immers geen griffierecht betaald. Verder is niet gebleken dat hij proceskosten heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1263, r.o. 4.2.
Artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht. - - - ## Voetnoten
Gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1263, r.o. 4.2.
Artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht.