Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:6237 - Rechtbank Amsterdam - 25 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:623725 juli 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/152
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en

Procesverloop

Met het besluit van 13 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Met de uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2025. De gemachtigde van eiser is digitaal verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam] .

Overwegingen

  1. Op 10 juli 2024 stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] stil in een parkeervak ter hoogte van het adres [adres] te [plaats] . Om 13.24 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
  1. In geschil is of het beroep ontvankelijk is en, zo ja, of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
  1. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
  1. Eiser voert aan dat hij de heffingsambtenaar op 3 januari 2025 in gebreke heeft gesteld om een uitspraak op zijn bezwaar te doen. De heffingsambtenaar heeft op 6 januari 2025 aan eiser laten weten dat er al op 4 oktober 2024 op zijn bezwaar is beslist. De gemachtigde van eiser stelt dit besluit pas na de ingebrekestelling te hebben ontvangen. De gemachtigde meent dat daarom sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hij heeft al eerder aangegeven bij de heffingsambtenaar dat hij beslissingen niet per e-mail wil ontvangen, maar per post. Andere correspondentie mag wel per e-mail naar hem worden verzonden.
  1. De heffingsambtenaar stelt dat de uitspraak op bezwaar op 4 oktober 2024 om 19.12 uur is verzonden naar het e-mailadres [e-mailadres] . Ter onderbouwing van die stelling heeft de heffingsambtenaar een lijst met de verwerkte communicatie overgelegd. Dat de gemachtigde van eiser andere berichten wel zou hebben ontvangen, maar de uitspraak op bezwaar niet, is volgens de heffingsambtenaar niet aannemelijk. De gemachtigde heeft namelijk op berichten gereageerd vanuit hetzelfde e-mailadres.
  1. Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Dat is bepaald in artikel 2:14, eerste lid, van de Awb. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar bevoegd was om de gemachtigde langs elektronische weg de uitspraak op bezwaar toe te sturen. De gemachtigde heeft impliciet kenbaar gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is. De gemachtigde heeft immers het bezwaarschrift per e-mail bij de heffingsambtenaar ingediend. Andere correspondentie met de heffingsambtenaar, bijvoorbeeld over de hoorzitting, vond ook per e-mail plaats. Nu de heffingsambtenaar een verzendbewijs van de e-mail van 4 oktober 2024 heeft overgelegd, gaat de rechtbank ervan uit dat de uitspraak op bezwaar op 4 oktober 2024 aan eiser bekend is gemaakt. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 15 november 2024. Het beroepschrift is op 6 januari 2025 door de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
  1. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser een goede verontschuldiging heeft voor de te late indiening van het beroepschrift. Dat hij de uitspraak op bezwaar pas na de ingebrekestelling heeft ontvangen, is niet aannemelijk gemaakt.
  1. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.