Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:5886 - Rechtbank Amsterdam - 30 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:588630 juli 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3168
en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (hierna: de Svb).
  1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van de Svb om aan hem vanaf het derde kwartaal van 2023 80% kinderbijslag toe te kennen. Eiser is het hier niet mee eens en heeft in zijn beroepschrift en aanvulling daarop aangegeven waarom. De rechtbank oordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  1. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht 80% kinderbijslag aan eiser heeft toegekend. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

  1. Eiser heeft kinderbijslag aangevraagd. Met een besluit van 6 februari 2024 heeft de Svb besloten aan eiser 80% van het maximale bedrag toe te kennen. Eiser en zijn zoon [naam] wonen namelijk op Aruba. Daardoor is de Svb verplicht de woonlandfactor toe te passen. De woonlandfactor voor Aruba voor 2023 is 80%. Met het bestreden besluit van 13 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de Svb bij het eerdere besluit gebleven.
  1. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
  1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

  1. Eiser heeft gevraagd om aan hem niet 80%, maar 100% van het maximale bedrag aan kinderbijslag toe te kennen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de boodschappen op Aruba, waaronder de benodigde boodschappen voor zijn kind, maar ook kinderkleding, duurder zijn dan dezelfde producten in Nederland.
  1. De Svb is verplicht om het toe te kennen bedrag aan kinderbijslag bij te stellen naar het kostenniveau van het land waar het betreffende kind woont.[1] Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woont en dat van Nederland. Dit wordt de woonlandfactor genoemd. De woonlandfactor wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld. Voor Aruba geldt voor 2023 een woonlandfactor van 80%.[2] De stelling van eiser dat de kosten voor levensonderhoud op Aruba meer bedragen dan in Nederland, kan met diverse bronnen worden onderbouwd.[3] De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser dan denkt dat de Svb onterecht een lager percentage aan kinderbijslag heeft vaststelt. Echter gaat deze veronderstelling eraan voorbij dat de woonlandfactor niet enkel op de kosten van levensonderhoud is gebaseerd. De woonlandfactor komt tot stand door de gemiddelde koopkrachtcijfers van Nederland en het woonland, in dit geval Aruba, met elkaar te vergelijken. Koopkracht omvat meer dan enkel de kosten voor levensonderhoud. Zo waren op Aruba, in de betreffende periode, de woonlasten veel lager dan in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat de Svb terecht 80% kinderbijslag aan eiser heeft toegekend omdat de Svb met de nadere onderbouwing in beroep duidelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit is gebaseerd op de koopkrachtvergelijking, gebaseerd op gegevens van de Wereldbank.
  1. De rechtbank stelt wel vast dat de Svb pas in de beroepsfase, naar aanleiding van vragen van de rechtbank, gemotiveerd is ingegaan op de argumenten van eiser en het besluit toen pas van een adequate onderbouwing heeft voorzien. Naar de toekomst toe kan de Svb wellicht standaard in zaken als deze uitleggen hoe de woonlandfactor exact werkt. De rechtbank ziet in het aanvankelijke motiveringsgebrek redenen om de Svb te verplichten het griffiegeld aan eiser te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De Svb dient wel het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 12, tweede lid van de Algemene kinderbijslagwet (Akw).
Artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage hierbij.
Zie bijvoorbeeld de website van 'WereldData': https://werelddata.nl/kosten-van-levensonderhoud/aruba. - - - ## Voetnoten
Artikel 12, tweede lid van de Algemene kinderbijslagwet (Akw).
Artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage hierbij.
Zie bijvoorbeeld de website van 'WereldData': https://werelddata.nl/kosten-van-levensonderhoud/aruba.