Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:5883 - Rechtbank Amsterdam - 25 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:5883•25 juni 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/617
(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
- Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft in haar beroepschrift aangegeven waarom. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de intrekking en terugvordering.
- De rechtbank is van oordeel dat het college de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft ingetrokken en de uitkering in redelijkheid heeft kunnen terugvorderen. Hieronder in haar overwegingen 8 (intrekking) respectievelijk 9 tot en met 12 (terugvordering) legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
- Eiseres ontving studiefinanciering tot en met 31 augustus 2023. Daarna had zij hier geen recht meer op. Daarom heeft zij een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft besloten haar met ingang van 1 september 2023 bijstand te verlenen, omdat zij per die datum geen studiefinanciering meer ontving. Later bleek echter dat aan eiseres met terugwerkende kracht toch studiefinanciering is toegekend vanaf 1 september 2023. Om die reden heeft het college, met een besluit van 4 september 2024, de bijstandsuitkering over de periode van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2024 ingetrokken. Als gevolg van de intrekking heeft het college, met een besluit van 5 september 2024, het al betaalde bedrag aan bijstand van € 10.883,28 teruggevorderd.
- Met het bestreden besluit van 16 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de intrekking en terugvordering ongegrond verklaard. Het college heeft de intrekking en terugvordering in stand gelaten.
- Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Periode in geding
- De rechtbank beoordeelt de periode van 1 september 2023, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 4 september 2024, de datum van het intrekkingsbesluit. Voor de periode daarna geldt dat eiseres nieuwe bijstandsaanvragen heeft ingediend waarop door het college is beslist. Eiseres kan tegen beslissingen op die aanvragen in bezwaar. De rechtmatigheid van die beslissingen valt echter buiten de omvang van het onderhavige geding.
Intrekking
- Er bestaat geen recht op bijstand als er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.
[1] Studiefinanciering is aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de betrokkene passend en toereikend te zijn.[2] Dit is ook niet tussen partijen in geschil. Omdat er geen recht op bijstand bestond, heeft het college de bijstand naar het oordeel van de rechtbank terecht ingetrokken.[3]
Terugvordering
De grondslag van de terugvordering
- Als gevolg van de intrekking, heeft het college het al betaalde bedrag aan bijstand teruggevorderd. Als het college besluit om terug te vorderen, dan moet zij daarbij aangeven op welke grondslag de terugvordering berust.
[4] In het bestreden besluit heeft het college aangegeven dat de terugvordering zijn grondslag vindt in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. In de beroepsfase heeft het college echter aangegeven dat de juiste grondslag voor de terugvordering artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, onder ten eerste, van de Pw is. In zoverre heeft het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek passeren[5] omdat het in de beroepsfase is hersteld en omdat niet aannemelijk is dat eiseres hierdoor in haar belangen wordt geschaad. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Anders dan eiseres heeft aangevoerd is artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Pw niet van toepassing. De situatie dat eiseres, op het moment dat zij bijstand ontving, redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de bijstand onverschuldigd werd verstrekt, doet zich immers niet voor. Op het moment dat eiseres bijstand ontving, was de situatie namelijk nog zo dat zij geen recht had op studiefinanciering waardoor verschuldigd bijstand werd verstrekt.
- Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Pw is van toepassing als achteraf middelen beschikbaar komen die betrekking hebben op de bijstandsperiode. In dit geval is achteraf studiefinanciering beschikbaar gekomen voor dezelfde periode als de bijstandsperiode (1 september 2023 tot en met 31 augustus 2024). Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn gemaakt indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand.
[6]
- Eiseres heeft er terecht op gewezen dat het college op deze grondslag kan (en niet: moet) terugvorderen. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het college niet had mogen terugvorderen omdat dit niet evenredig is. Het college heeft namelijk weloverwogen besloten om aan eiseres bijstand toe te kennen. Hierdoor mocht eiseres erop vertrouwen dat zij dit niet op een later moment zou moeten terugbetalen.
- De rechtbank volgt eiseres hier niet in. Toen het college besloot om eiseres bijstand toe te kennen, was de situatie nog zo dat eiseres geen recht had op studiefinanciering. Daarna pas is haar met terugwerkende kracht studiefinanciering toegekend. Dit maakte dat het college de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd. Uit de stukken blijkt niet dat het college heeft toegezegd om, ook bij gewijzigde omstandigheden zoals deze, niet te zullen terugvorderen. De rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres nadelig is, maar de ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen, maar het voorkomen van onevenredig nadelige gevolgen.
[7] Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor haar onevenredig nadelige gevolgen heeft.
Dringende redenen
- Het college kan besluiten om gedeeltelijk of geheel van terugvordering af te zien als daarvoor dringende redenen zijn.
[8] Bij de beoordeling of er sprake is van dringende redenen moet rekening worden gehouden met zowel de oorzaak als de gevolgen van de terugvordering.[9]
- Eiseres heeft een beroep gedaan op de aanwezigheid van dringende redenen waardoor volgens haar van terugvordering moet worden afgezien. Zij heeft in dit verband gewezen op het ontstaan van de vordering. Het college heeft immers besloten om haar bijstand te verlenen om hogere schulden te voorkomen, terwijl er door achteraf terug te vorderen alsnog juist hogere schulden ontstaan.
- De rechtbank is van oordeel dat het college geen dringende redenen heeft hoeven aannemen om van terugvordering af te zien. De terugvordering is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van het college, integendeel: het college heeft zich welwillend opgesteld richting eiseres, maar achteraf zijn de omstandigheden veranderd. Eiseres heeft haar beroep op aanwezigheid van dringende redenen ook niet verder onderbouwd. De rechtbank betrekt hierbij tot slot dat eiseres bij de terugvordering wordt beschermd door de beslagvrije voet en eventueel een betalingsregeling kan treffen met het college.
Conclusie en gevolgen
- De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Er bestaat in verband met het geconstateerde motiveringsgebrek over de grondslag van de terugvordering wel aanleiding om het college op te dragen het griffierecht van € 53, - aan eiseres te vergoeden. Ook is er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1).
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet (Pw).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1167.
Artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Pw en artikel 10, tweede lid, van de Beleidsregels Handhaving, Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2021 (Beleidsregels 2021).
Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1537, r.o. 4.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:818, r.o. 4.5.1.
Artikel 58, achtste lid van de Participatiewet en artikel 11, vierde lid, van de Beleidsregels 2021.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:196, r.o. 4.13. - - - ## Voetnoten