Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:5882 - Rechtbank Amsterdam - 30 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:5882•30 juli 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6472
en
het college)
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een parkeervergunning voor bewoners (hierna: bewonersvergunning). Eiser is het niet eens met de afwijzing en heeft in zijn beroepschrift aangegeven waarom. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
- De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag voor een bewonersvergunning terecht heeft afgewezen. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
- Eiser heeft een bewonersvergunning aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juni 2024 buiten behandeling gesteld. Op 16 september 2024 heeft eiser het college in gebreke gesteld. Met het bestreden besluit van 23 september 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college besloten haar eerdere besluit te herroepen, de bewonersvergunning te weigeren en de dwangsom af te wijzen.
- Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
- Het adres van eiser is gelegen in deelvergunninggebied Nieuw-West 9e.
[1] In dit gebied kunnen per adres maximaal twee bewonersvergunningen worden verleend.[2] Voorwaarde is dan wel dat de bewoner(s) van dat adres over twee motorvoertuigen beschikt/beschikken.[3] Vast staat dat eiser beschikt over één motorvoertuig. Daarom kan aan eiser maximaal één bewonersvergunning worden verleend. Vast staat echter ook dat eiser beschikt over een stallingsplaats. Deze wordt afgetrokken van het aantal te verlenen bewonersvergunningen.[4] Het aantal te verlenen bewonersvergunningen aan eiser bedraagt daarmee nul. Een vergunning wordt geweigerd als niet wordt voldaan aan de voorwaarden.[5] Deze bepaling heeft een dwingend karakter hetgeen betekent dat het college niet anders kan dan weigeren. Er bestaat geen ruimte voor een belangenafweging.[6]
- Eiser is het echter oneens met dit parkeerregime van de gemeente Amsterdam.
- Naar aanleiding van hetgeen door eiser is aangevoerd, heeft de rechtbank de Parkeerverordening en het Uitwerkingsbesluit bekeken. De rechtbank ziet echter geen aanknopingspunten dat de verordening en het besluit in strijd zijn met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en hogere wet - en regelgeving. Dit betekent dat het college deze regelgeving op het onderhavige geval mocht toepassen. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het college de regelgeving in het geval van eiser juist heeft toegepast. De opmerkingen van de bezwaarschriftencommissie, zoals door eiser aangehaald, kunnen hier niet aan afdoen.
- Eiser stelt daarnaast dat er sprake is van rechtsongelijkheid.
- De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Eiser vergelijkt mensen met bewonersvergunning met mensen zonder bewonersvergunning, maar dat zijn geen gelijke gevallen en hoeven dus ook niet gelijk te worden behandeld.
- Eiser stelt tot slot dat de gemeente Amsterdam haar inwoners geen dubbel parkeergeld mag vragen. Inwoners met parkeervergunning betalen namelijk al voor de vergunning. Als deze vergunninghouders buiten het vergunninggebied parkeren, moeten ze nogmaals parkeerkosten betalen.
- De rechtbank is van oordeel dat eiser niet over een parkeervergunning beschikt waardoor deze stelling hem niet kan baten.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2 van het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 Amsterdam juli 2024 (hierna: het Uitwerkingsbesluit) en onderdeel 3.7, onder e van de Bijlage bij het Uitwerkingsbesluit.
Artikel 6, tweede lid, onder f van het Uitwerkingsbesluit.
Artikel 9, tweede lid van de Parkeerverordening 2013 (hierna: de Parkeerverordening).
Artikel 9, vierde lid van de Parkeerverordening.
Artikel 32, eerste lid van de Parkeerverordening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2053, r.o. 3.3. - - - ## Voetnoten