Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:5880 - Rechtbank Amsterdam - 23 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:588023 juli 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6589
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D.R. van Ee).

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Overwegingen

Wat aan het geschil vooraf is gegaan
Op de locatie [locatie 1] / [locatie 2] / [locatie 3] is een ondergrondse glascontainer verwijderd. Eiser heeft verweerder verzocht om deze terug te plaatsen. Op dit verzoek heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Noord gereageerd bij schrijven van 15 april 2024. Daarin staat dat de locatie op de hoek [locatie 3]/ [locatie 2]/ [locatie 1] niet definitief is opgeheven, maar de plek voor de glascontainer tijdelijk dicht is gezet. Het tijdelijk dicht zetten van die plek is een feitelijke handeling. Hiervoor is geen formele besluitvorming noodzakelijk. Eiser heeft hiertegen op 22 april 2024 een bezwaarschrift ingediend. Het dagelijks bestuur van stadsdeel Noord heeft in zijn vergadering van 1 oktober 2024 besloten om, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren omdat het tijdelijk dichtzetten van de containerlocatie en het in vervolg daarop verwijderen van de container een feitelijke handeling betreft en dus niet is gericht op rechtsgevolg. Hieruit vloeit voort dat de afwijzing van het verzoek tot terugplaatsing van de container evenmin kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Tussen partijen is in geschil of dit schrijven van 15 april 2024 een besluit is in de zin van de Awb.
De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt
De hoofdregel in de Awb is dat beroep tegen een besluit kan worden ingesteld bij de rechtbank. Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen. Zie artikel 8:6 van de Awb en Bijlage 2 bij de Awb, de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
Op grond van artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan tegen een besluit, genomen op grond van de Wet milieubeheer beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op grond van de Wet milieubeheer heeft de gemeenteraad van Amsterdam in de Afvalstoffenverordening 2023 en een Uitvoeringsbesluit regels opgenomen over de wijze van inzameling van afvalstoffen. Op grond van deze verordening worden locaties aangewezen waar bewoners hun afval moeten aanbieden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het (tijdelijk) dichtzetten, het (terug) plaatsen van afvalcontainers onder het bereik van de Wet milieubeheer valt. Dit betekent tevens dat het antwoord op de vraag of sprake is van een feitelijke handeling dan wel een besluit gericht op rechtsgevolg door de Afdeling dient te worden gegeven.
Deze vraag doet zich voor in het kader van een speciale wet (de Wet milieubeheer). Dat de beantwoording van die vraag plaatsvindt aan de hand van een algemene wet (de Awb), verandert de bevoegdheidsverdeling niet. Dit betekent dus dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.
De rechtbank zal het beroepschrift en het dossier doorsturen naar de Afdeling. De rechtbank zal opdracht geven aan de griffie om het griffierecht aan eiser terug te storten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.