Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:5694 - Rechtbank Amsterdam - 25 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:569425 juli 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het verkeersbesluit waarin het college [adres 1] in [woonplaats] als woonerf heeft aangewezen.
1.1. Op 12 juli 2023 heeft het college dit besluit genomen. Met het bestreden besluit van 21 november 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven, met een gewijzigde motivering en voorschriften.
1.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2024 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen aan de zijde van eisers: [eiser 16] , [eiser 19] , [eiser 18] , de gemachtigde van eisers en [naam 1] (verkeersdeskundige). Aan de zijde van het college waren aanwezig: de gemachtigde van het college, [naam 2] en [naam 3] .
1.4. In de tussenuitspraak van 11 december 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.5. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.6. Eisers hebben hierop schriftelijke gereageerd.
1.7. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

  1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2.1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de intensiteit van het verkeer past bij het karakter van een erf. Ook heeft het college onvoldoende inzicht gegeven in de gevolgen van het verwijderen van de parkeerplaatsen.

Toetsingskader

  1. Een bestuursorgaan komt bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) genoemde begrippen. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke belangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter dient zich bij de toetsing van een verkeersbesluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuursorgaan aan de begrippen van artikel 2, eerste en tweede lid van de Wvw 1994 heeft gegeven, de grenzen van de redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften alsmede of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid van de Wvw 1994 worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze alle betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen.[1]
Het verkeer op het woonerf
  1. Het college stelt zich nog steeds op het standpunt dat de [adres 1] voornamelijk een verblijfsfunctie heeft. Het college wijst er eerst op dat de tekst van het eerste uitvoeringsvoorschrift behorend bij het bord G5 (erf) van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens (voorschrift 1) luidt: 'Het erf moet voornamelijk een verblijfsfunctie hebben. Dit houdt in, voor zover het gemotoriseerd verkeer betreft, dat de wegen binnen een erf slechts een functie mogen hebben voor verkeer dat zijn bestemming of zijn vertrekpunt binnen het erf heeft en de intensiteit van het verkeer het karakter van het erf niet mag aantasten.' Uit deze tekst volgt niet dat doorgaand verkeer verboden is. Het college heeft [bedrijf 1] gevraagd om een onafhankelijk advies op dit punt uit te brengen. [bedrijf 1] concludeert dat [adres 1] niet de aangewezen route voor overig verkeer is en het ook niet de functie heeft om doorgaand verkeer te faciliteren. In het advies staat ook dat de verkeersaantallen beperkt zijn en dat nagenoeg al het verkeer bestemmingsverkeer was. Het college wil hier nog aan toevoegen dat het ook onlogisch is om [adres 1] als binnendoorweg te nemen. Zeker als de herinrichting is afgerond, nodigt zowel de inrichting, de snelheidsbeperking van 15 km/h als de feitelijke situering van het rak niet uit om het rak te gebruiken als sluiproute. Tot slot reageert het college op de constatering van de rechtbank dat het advies van het expertiseteam strijdig is met de uitgangspunten waarop het besluit van het college is gebaseerd. Het college wijst er op dat het expertiseteam positief adviseerde. In het advies is opgenomen dat 'dit stuk [adres 1] voor autoverkeer uit een groter gebied de meest logische route is om naar het
hoofdwegennet te rijden'. Volgens het college heeft het expertiseteam hiermee bedoeld te zeggen dat het in een ideale situatie zo zou zijn dat er geen enkel verkeer met herkomst én bestemming buiten het erf gebruik zou maken van het erf, maar dat sommige automobilisten dit de meest logische route vinden. Het expertiseteam adviseerde echter geen aanvullende maatregelen. Ook is niet gesuggereerd dat de aanwijzing als erf niet juist zou zijn. Er is dus niet afgeweken van het advies door het college.
4.1. Eisers voeren in de zienswijze aan dat het college voorschrift 1 onjuist interpreteert. Het college citeert het gedeelte over de functie van een woonerf, maar vervolgens wordt nog bepaald dat 'de wegen binnen een erf slechts een functie mogen hebben voor verkeer dat zijn bestemming of zijn vertrekpunt heeft binnen het erf en de intensiteit van dit verkeer het karakter van het erf niet mag aantasten'. Hieruit volgt volgens eisers dat de wegen binnen een woonerf uitsluitend door gemotoriseerd verkeer mogen worden gebruikt als het bestemmingsverkeer is. Eisers hebben een contra-expertise laten uitvoeren door [naam 4] van [bedrijf 2] . Hij heeft het advies van [bedrijf 1] beoordeeld. Volgens [naam 4] kunnen de door [bedrijf 1] gehanteerde kengetallen voor verkeersgeneratie van een woonbuurt niet toegepast worden als er geen parkeerplaatsen in het betreffende gebied aanwezig zijn. De berekening is ook in strijd met de analyse van de TomTom-data die [bedrijf 1] ook beschrijft. [bedrijf 1] heeft dan ook geadviseerd om aanvullende maatregelen te nemen. [naam 4] wijst er ook op dat het risico op hardrijden aanzienlijk is, omdat sprake is van een lange rechtstand zonder asverspringingen of snelheidsremmers. Volgens eisers blijft ten slotte ten aanzien van het advies van het expertiseteam staan dat het expertiseteam geschreven heeft dat [adres 1] voor autoverkeer uit een groter gebied de meest logische route is om naar het hoofdwegennet te rijden. Dat het expertiseteam geen aanvullende maatregelen heeft geadviseerd, doet daar niets aan af.
4.1.1. De rechtbank overweegt eerst dat eisers niet gevolgd worden in hun standpunt dat de wegen binnen een woonerf alleen door bestemmingsverkeer mogen worden gebruikt. De rechtbank begrijpt het voorschrift zo dat de functie van de wegen binnen een woonerf hoofdzakelijk gericht moet zijn op bestemmingsverkeer en het woonerf niet met name doorgaand verkeer faciliteert. Daarmee wordt niet uitgesloten dat er enig doorgaand verkeer over het woonerf rijdt.
4.1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van [bedrijf 1] en het advies [bedrijf 2] . De conclusie van de rechtbank is dat het advies van [bedrijf 1] meer gewicht in de schaal legt dan het advies van [bedrijf 2] . Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Het advies van [bedrijf 1] is inzichtelijk en de conclusies sluiten logisch aan op de bevindingen. Het advies is uitgebreider dan dat van [bedrijf 2] . Het steunt verder op meer concrete gegevens over de aard van het verkeer, de intensiteit ervan en de snelheid van het verkeer. Er wordt in uitgelegd dat theoretisch dit deel van de [adres 1] niet direct een logische sluiproute voor doorgaand verkeer is, maar dat in de praktijk dit deel van de [adres 1] wel gebruikt kan worden om bepaalde verkeersknelpunten te vermijden. Met het oog daarop worden aanvullende maatregelen geadviseerd. Het advies legt ook uit dat de gekozen optie van 'erf' in feite en met name vanuit oogpunt van verkeersveiligheid de beste optie van de mogelijke alternatieven is. Het advies dat eisers hiertegen in brengen is minder concreet uitgewerkt. In feite werpt dit advies geen ander licht op de aard, intensiteit en/of snelheid van het verkeer. Het advies van eisers gaat niet gemotiveerd in op de bevinding van [bedrijf 1] dat van de mogelijke alternatieven, de optie 'erf' de meest passende is.
4.1.3. De rechtbank stelt daarnaast echter ook vast dat de adviezen die ingewonnen zijn door beide partijen niet (volledig) in tegenspraak met elkaar zijn. Uit beide adviezen volgt immers dat de verkeersintensiteit, het aandeel doorgaand verkeer in het totale verkeer en de snelheid van het verkeer (nog) niet volledig verenigbaar zijn met het principe van een woonerf en dat het daarom goed is dat er nagedacht wordt over aanvullende maatregelen.
4.1.4. De rechtbank komt ten slotte tot het oordeel dat het college het gebrek met de aanvullende motivering heeft gerepareerd en dat het college dus in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het aanwijzen van het woonerf niet in strijd is met voorschrift 1. In de tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat dit nog niet voldoende was gemotiveerd en dat het advies van het expertiseteam ook afbreuk deed aan de motivering. Met het extra advies van [bedrijf 1] wordt het bestreden besluit wel voldoende gemotiveerd. De rechtbank acht daarbij van belang dat de herinrichting van [adres 1] nog niet voltooid is. Voor zover er nog getwijfeld kan worden aan de hoeveelheid bestemmingsverkeer, omdat het in de praktijk zoals [bedrijf 1] uitlegt toch anders kan uitpakken, kan daar met de herinrichting nog verbetering behaald worden. De rechtbank raadt partijen aan om hierover in gesprek te blijven en hier bij de evaluatie gepaste aandacht aan te geven.
De belangenafweging
  1. Het college betoogt eerst dat het opheffen van parkeerplaatsen een feitelijke handeling is en losstaat van het bestreden besluit waarmee [adres 1] is aangewezen als erf. Het college verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 mei 2010[2].
5.1. De rechtbank volgt het college hierin niet. In de uitspraak waar het college naar verwijst is geoordeeld dat er geen verkeersbesluit nodig is voor het opheffen van parkeerplaatsen, omdat het een feitelijke handeling is. Daaruit kan volgens de rechtbank niet volgen dat het verwijderen van parkeerplaatsen geen onderdeel kan zijn van een verkeersbesluit. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021[3], waarin wordt overwogen dat de gevolgen van het vervallen van parkeerplaatsen als gevolg van een verkeersbesluit, moeten worden meegewogen.
5.2. Het college licht toe dat de aanleiding om een parkeervrije [adres 1] te overwegen, was dat het college vanuit de buurt regelmatig het verzoek kreeg om dit rak een permanente parkeervrije inrichting te geven. Tijdens kadewerkzaamheden was dit rak namelijk tijdelijk autoluw. Het college heeft een buurtpeiling gehouden. De uitkomst was dat 68% van de respondenten de voorkeur uitspraken om geen parkeerplekken meer in te tekenen. Het college verwijst hierbij naar het inspiratiedocument 'Parkeervrije [adres 1] ' De signalen uit de buurt waren niet de enige reden om voor een parkeervrije inrichting te kiezen. Een parkeervrije inrichting sluit aan bij het inspiratiedocument 'Parkeervrije [adres 2] ', de 'Uitvoeringsagenda Mobiliteit' en de 'Amsterdamse Agenda Autoluw'. Bovendien is in het Amsterdams coalitieakkoord 2022-2025 de ambitie opgenomen om deze bestuursperiode een gracht volledig parkeervrij in te richten.
5.2.1. Het college heeft onderzocht wat het niet terugbrengen van de parkeervakken betekende voor de parkeerbalans in het gebied. De parkeerdruk in kwartaal 1 van 2021 was 81%, wat binnen de marges valt. Toen waren er op de [adres 1] geen parkeerplekken vanwege het kadeherstel. Het niet terugbrengen van de parkeervakken en verschillende andere plannen waarbij parkeervakken herbestemd werden, zorgden wel voor een negatieve parkeerbalans. Onder parkeerbalans verstaat het college de totale verrekening van onder andere het aantal parkeerplaatsen, de parkeerdruk, voorziene toe - of afname van parkeerplekken, afgegeven parkeervergunningen, langere termijn prognoses voor aantallen vergunningen in het gebied, ingestelde vergunningenplafond en, bijvoorbeeld, parkeergelegenheden in omliggende autogarages. Als maatregel heeft het college in 2021 daarom al ingestemd met een extra verlaging van het vergunningenplafond. Het college wijst er ook op dat in aanloop naar de herinrichting omwonenden zijn gehoord. Het college heeft ook rekening gehouden met hun zorgen. Het college verwijst hierbij naar het document 'Vragen en antwoorden parkeervrije [adres 1] '.
5.2.2. Het college licht ten slotte haar belangenafweging toe. Er is een afweging gemaakt tussen de parkeerbalans (waarbij compenserende maatregelen zijn getroffen) en het belang van alle bewoners. De transitie waarin Amsterdam zich bevindt vraagt om meer flexibiliteit in de openbare ruimte en om meer ruimte voor andere vormen van gebruik, zoals groen, ontmoetingsruimte en voorzieningen. Bovendien ontstaat er door het verdwijnen van parkeervakken ondergronds meer ruimte voor boomwortels. Hierdoor komen de bomen op 10 meter afstand van elkaar, in plaats van 15 meter. Zo is in het nieuwe ontwerp ruimte voor tien extra bomen, zodat het totaal op 28 uitkomt. Dit heeft een gunstig effect, bijvoorbeeld bij het voorkomen van hittestress en voor vogels en andere dieren. Ook draagt dit bij aan een verbetering van de luchtkwaliteit. In het 'Actieplan Schone Lucht' van 2019 heeft het college reeds aangegeven dat het college inzet op minder voertuigen en kilometers in de stad en meer ruimte voor groen, spelen, recreatie en gezond verkeer.
5.3. Eisers stellen zich op het standpunt dat de buurtenquête geen representatieve weergave was van de voorkeuren van de buurt. Eisers betogen verder dat nog steeds onduidelijk is wat de parkeerdruk in de directe omgeving is, op welke afstand van de woningen van eisers sprake is van voldoende beschikbare parkeerplekken, op welke wijze het vergunningenplafond omlaag is en/of zal worden gebracht en welke positieve effecten dit zal hebben voor specifiek eisers. Het bestreden besluit is daarom (nog steeds) niet zorgvuldig voorbereid. Eisers stellen dat reeds sprake is van een overbelaste parkeersituatie. Volgens eisers kan het college onder die omstandigheden niet naar algemene beleidswensen en algemene voordelen van een parkeervrije inrichting verwijzen als motivering van het verdwijnen van parkeerplaatsen.
5.4. De rechtbank is van oordeel dat ook het motiveringsgebrek ten aanzien van de belangenafweging met de aanvullende motivering is gerepareerd. De afweging van de betrokken belangen is niet zodanig onevenwichtig dat het college niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De rechtbank weegt daarbij mee dat ook een groot deel van de omwonenden juist enthousiast is over een parkeervrije inrichting en dat deze inrichting ook binnen de beleidskeuzes van de gemeente past. Eisers hebben daar niet een zodanig nadeel tegenovergesteld dat geoordeeld moet worden dat de belangenafweging onevenwichtig is.

Conclusies en gevolgen

  1. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
  1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
  1. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 907, - en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven; - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184, - aan eisers te vergoeden; - veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de ABRvS van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:589.
ECLI:NL:RVS:2010:BM5625.
ECLI:NL:RVS:2021:1215, rechtsoverweging 6.3. - - - ## Voetnoten
Zie de uitspraak van de ABRvS van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:589.
ECLI:NL:RVS:2010:BM5625.
ECLI:NL:RVS:2021:1215, rechtsoverweging 6.3.