Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:5684 - Rechtbank Amsterdam - 23 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:568423 juli 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3747

[verzoeker] , verzoeker

en

de korpschef van de Politie Eenheid Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.C. Geradts),

Inleiding

1.1. Verzoeker heeft op 11 maart 2025 een informatieverzoek gedaan bij verweerder op grond van onder meer de AVG[1] en de Wpg[2]. Verzoeker wil van verweerder alle gegevens over hemzelf die door [naam][3] zijn verwerkt. Op 8 mei 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek[4].
1.2. Verzoeker heeft hangende die beroepsprocedure op 18 juni 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat er conservatoire maatregelen worden genomen om dataverlies te voorkomen.
1.3. Op 15 juli 2025 heeft verweerder een schriftelijke reactie gegeven op het verzoek.
1.4. Verzoeker heeft daar op 17 juli 2025 schriftelijk op gereageerd.
1.5. Op 18 juli 2025 heeft verweerder nogmaals een schriftelijke reactie gegeven.
1.6. Verzoeker heeft daar op 18 juli 2025 weer op gereageerd.
1.7. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
1.8. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
  1. Verzoeker heeft aangevoerd dat [naam] inmiddels is vertrokken bij de politie en dat dus na verloop van tijd de verzochte data worden vernietigd. Volgens verzoeker heeft verweerder in het verleden, hangende procedures, onrechtmatig data vernietigd. Verzoeker heeft het dan onder andere over gegevens inzake het werven van een informant. Die zouden onrechtmatig zijn vernietigd. Om dit nu te voorkomen heeft verzoeker onderhavig verzoek ingediend connex aan het beroep niet tijdig. Verzoeker verwacht dat de rechtbank pas na maanden uitspraak doet in die procedure en het is maar de vraag wat verweerder zal doen.
  1. Verweerder heeft onder andere opgemerkt dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat er risico bestaat op dataverlies. Daarnaast heeft verweerder in andere procedures met verzoeker al toegezegd geen gegevens te zullen verwijderen hangende die procedures. Ook is er een wettelijke bewaarplicht voor deze gegevens. Volgens verweerder is er dan ook geen noodzaak voor de gevraagde voorlopige voorziening.
  1. Verzoeker heeft vervolgens nogmaals benadrukt dat deze omstandigheden ook golden ten tijde van het onrechtmatig vernietigen van gegevens door verweerder. Dat dit handelen onrechtmatig was, is namens verweerder ook tijdens een zitting van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) erkend. Volgens verzoeker zijn toezeggingen van verweerder in dat kader niets waard. Verzoeker wil dat het verzoek op een zitting wordt behandeld en dat er twee getuigen worden gehoord over verklaringen die zouden zijn afgelegd tijdens de zitting bij de Afdeling.
  1. Verweerder heeft in een nadere reactie naar voren gebracht dat verzoeker er bekend mee is[5] dat data van een vertrokken medewerker na twee jaar definitief uit de systemen worden verwijderd. [naam] is uit dienst per [datum 1] 2024 zodat er geen enkele noodzaak is voor de gevraagde voorziening.
  1. Verzoeker wil dat de voorzieningenrechter verweerder sommeert de gewenste zoekslag uit te voeren en de opbrengst (met toepassing van artikel 8:29 Awb) bij de rechtbank in te dienen, om zo vernietiging te voorkomen.
  1. De voorzieningenrechter is ermee bekend dat op dit moment tussen verzoeker en verweerder meerdere procedures aanhangig zijn. Zo heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank onlangs een externe deskundige benoemd om onderzoek te doen naar gegevens bij verweerder.[6] Ook is er in een andere procedure een tussenuitspraak[7] gedaan waarin de aan - of afwezigheid van documenten bij verweerder aan de orde is gesteld en eventueel een teamleider als getuige zou worden gehoord. Daarnaast is de voorzieningenrechter bekend met klachtenprocedures bij verweerder en de nationale ombudsman naar aanleiding van het in 2019 al dan niet onrechtmatig vernietigen van gegevens over het werven van informanten. Dit is aangegeven in een besluit van verweerder van 12 augustus 2024.
  1. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker zijn verzoek heeft ingediend mede tegen die achtergrond. Zij is echter van oordeel dat wat verzoeker in deze zaak heeft aangevoerd (objectief bezien) geen blijk geeft van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
  1. In de hier aan de orde zijnde zaak zijn er, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, onvoldoende aanknopingspunten, dat er data, waarom is verzocht, binnen afzienbare termijn verloren zullen gaan. Pas twee jaar na vertrek bij de politie wordt de data (mailverkeer en documenten en andere data op een persoonlijke gegevensdrager in de systemen) die desbetreffend persoon heeft verzameld, definitief uit de systemen verwijderd. Verzoeker is hier van op de hoogte. De gegevens van [naam] zouden, gelet hierop, vanaf [datum 2] 2026 gewist kunnen worden. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verweerder deze data voor die tijd analyseert en veiligstelt. Verweerder is daartoe ook wettelijk verplicht. Bovendien heeft verweerder in andere procedures meermaals toegezegd geen gegevens te verwijderen hangende procedures[8] en, zo begrijpt de voorzieningenrechter, is dat ook in deze zaak weer aan de orde.
  1. Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van een spoedeisend belang dat noopt tot het treffen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Het verzoek om getuigen te horen levert evenmin een spoedeisend belang op. Ook de omstandigheid dat er indertijd gegevens zijn vernietigd brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. De vernietiging van de in het besluit van 12 augustus 2024 bedoelde gegevens is uitgebreid aan de orde geweest in een voorlopige voorzieningsprocedure bij de Afdeling.[9] Ook daar vroeg verzoeker de voorzieningenrechter van de Afdeling om maatregelen te nemen om de gegevens, die onder gerechtelijke procedures vallen, veilig te stellen. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft daar geen aanleiding voor gezien gelet op de toelichting en toezeggingen van verweerder. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hier anders tegen aan te kijken dan de voorzieningenrechter van de Afdeling heeft gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Wet politiegegevens.
[functie] van de Politie Amsterdam.
Bekend onder zaaknummer AMS/2908.
Zie rechtsoverweging 14.5 van de tussenuitspraak van 15 mei 2025, met zaaknummer ECLI:NL:RBZWB:2025:2946. In die procedure trad verzoeker als gemachtigde op.
Dit is gebeurd in de zaken bekend met zaaknummers AMS19/6327, AMS20/2324 en AMS22/6078.
Zie de tussenuitspraak van 9 mei 2025 met zaaknummer ECLI:NL:RBAMS:2025:3119.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 25 september 2024, met zaaknummer ECLI:NL:RVS:2024:3806.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 25 september 2024, met zaaknummer ECLI:NL:RVS:2024:3806. - - - ## Voetnoten
Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Wet politiegegevens.
[functie] van de Politie Amsterdam.
Bekend onder zaaknummer AMS/2908.
Zie rechtsoverweging 14.5 van de tussenuitspraak van 15 mei 2025, met zaaknummer ECLI:NL:RBZWB:2025:2946. In die procedure trad verzoeker als gemachtigde op.
Dit is gebeurd in de zaken bekend met zaaknummers AMS19/6327, AMS20/2324 en AMS22/6078.
Zie de tussenuitspraak van 9 mei 2025 met zaaknummer ECLI:NL:RBAMS:2025:3119.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 25 september 2024, met zaaknummer ECLI:NL:RVS:2024:3806.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 25 september 2024, met zaaknummer ECLI:NL:RVS:2024:3806.