Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:5566 - Rechtbank Amsterdam - 26 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:5566•26 juni 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2976
(gemachtigde: mr. T.S. Brinkman),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
- Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over de afwijzing van zijn aanvraag om een bijstandsuitkering. Na een afweging van de belangen wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe*.*Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
- Verzoeker heeft op 24 januari 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd. Op dezelfde dag heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat verzoeker een beroep kan doen op een WW-uitkering
[1] .
- Op 13 februari 2025 heeft verzoeker bezwaar ingesteld tegen dat besluit.
- Het college heeft op 18 maart 2025 een nieuw afwijzend besluit genomen, ditmaal met als reden dat niet duidelijk is waar verzoeker verblijft.
- Verzoeker heeft op 14 mei 2025 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Voordat de voorzieningenrechter inhoudelijk op het verzoek in kan gaan, moet zij beoordelen of aan twee vereisten is voldaan. Allereerst moet het verzoek zijn ingediend tijdens een lopende bezwaar - of beroepsprocedure. Dit wordt de connexiteitseis genoemd. Daarnaast moet sprake zijn van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of aan deze vereisten is voldaan.
Is het verzoek ingediend tijdens een lopende bezwaar - of beroepsprocedure?
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan deze voorwaarde is voldaan. Op de zitting is onduidelijk gebleven of verzoeker op 5 maart 2025 een nieuwe aanvraag om een uitkering heeft ingediend, of dat opnieuw op de oude aanvraag van 24 januari 2025 is beslist. Als op dezelfde aanvraag opnieuw is beslist, is het bezwaarschrift van 13 februari 2025 van rechtswege ook gericht tegen de nieuwe afwijzing van 18 maart 2025. Daarmee wordt voldaan aan de connexiteitseis. Voor het geval er wel een nieuwe aanvraag op 5 maart 2025 is ingediend heeft het college toegezegd dat het bezwaarschrift van 13 februari 2025 - waar nog niet op is beslist - zal worden beschouwd als gericht tegen de afwijzing van 18 maart 2025. De voorzieningenrechter kan dit volgen en stelt vast dat ook in dat geval is voldaan aan de connexiteitseis.
Is sprake van een spoedeisend belang?
- Vervolgens moet de voorzieningenrechter beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
- Verzoeker stelt - en dit wordt ondersteund door een overzicht van het college in het dossier - dat hij veel schulden heeft. Sinds december 2024 is hij zijn baan en inkomen kwijt en daardoor ook inmiddels zijn woning, omdat hij de huur niet kon betalen. Ook zijn telefoonabonnement is afgesloten wegens wanbetaling. Zijn opa vangt hem momenteel op, maar hij beschikt niet over eigen middelen om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Verzoeker heeft geen werk en geen inkomsten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiermee sprake is van voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
Het verzoek
- Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het college op te dragen aan hem voorschotten te verstrekken. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of hier aanleiding voor is.
- Het college heeft in het besluit van 18 maart 2025 geschreven dat verzoeker geen recht heeft op een uitkering, omdat hij niet bereikbaar was en onduidelijk was op welk adres of adressen hij verbleef. Het gaat dan om de periode vanaf de aanvraag van 24 januari 2025 tot de afwijzing van 18 maart 2025 (de periode in geding). Op de zitting heeft verzoeker alsnog duidelijkheid gegeven; hij zegt dat hij sinds begin dit jaar op het adres van zijn opa verblijft. Het college heeft dit niet betwist, maar wil graag nader bewijs van verzoeker, dat hij al tijdens de periode in geding bij zijn opa verbleef. Als verzoeker dat aan kan tonen, kan met terugwerkende kracht, vanaf de datum dat het verblijf is aangetoond, alsnog een uitkering worden verstrekt. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat verzoeker in staat zal zijn alsnog het benodigde bewijs te verstrekken, wat maakt dat het bezwaarschift niet bij voorbaat kansloos is.
- Verder weegt de voorzieningenrechter de belangen die bij deze zaak spelen. De belangen van verzoeker zijn erin gelegen dat hij snel over middelen komt te beschikken om een eigen leven op te bouwen en in zijn lasten te kunnen voorzien. De belangen van het college zijn erin gelegen dat het gaat om de uitgave van publiek geld.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vormt het gebrek aan middelen van bestaan van verzoeker een zwaarder wegend belang. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat het college eerder in deze procedure, op 5 maart 2025, al aanleiding zag om een voorschot te verstrekken. Dat voorschot is echter gestort op een ander rekeningnummer dan verzoeker zelf had opgegeven. Door wat op de zitting is besproken acht de rechtbank niet onaannemelijk dat het voorschot verzoeker niet heeft bereikt, omdat het is gestort op een afgesloten rekeningnummer.
- De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande voldoende aanleiding om het verzoek toe te wijzen. Zij zal dat echter niet doen voor de gevraagde duur: de periode dat nog niet op het bezwaar is beslist. De periode in geding in deze zaak loopt immers maar tot 18 maart 2025. Voor de periode daarna moet verzoeker een nieuwe aanvraag indienen. Op de zitting is besproken dat hij er goed aan doet dat zo snel mogelijk te doen en verzoeker zei ook zelf dat de dag na de zitting te zullen doen.
- De rechtbank ziet aanleiding het verzoek toe te wijzen in die zin dat verzoeker het eerder verstrekte voorschot opnieuw krijgt uitgekeerd (€ 1.070,-). Dat is een voorschot voor vier weken. Na ommekomst van die periode heeft het college of beslist op de nieuwe aanvraag, of nog niet, maar dan heeft verzoeker recht op een nieuw voorschot van het college
[2] , omdat niet binnen vier weken na de aanvraag is beslist.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
Op grond van artikel 52 van de Participatiewet. - - - ## Voetnoten