Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:5554 - Rechtbank Amsterdam - 16 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:5554•16 juli 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/610
(gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. H.H.J. ten Hoope).
- Deze uitspraak gaat over de opschorting, intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de argumenten van eiser. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep niet slaagt.
Procesverloop
- Eiser ontving vanaf 24 juli 2012 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.
- Op 28 maart 2018 heeft het college eiser verzocht uiterlijk 11 april 2018 informatie te overleggen, zodat het college kan bepalen of eiser nog steeds recht had op een bijstandsuitkering. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Het college heeft de bijstand van eiser daarom vanaf 1 mei 2018 tijdelijk opgeschort en eiser verzocht om contact op te nemen met zijn behandelaar inkomen. Ook hier heeft eiser niet op gereageerd.
- Op 31 mei 2018 heeft het college de bijstand vanaf 12 april 2018 ingetrokken, omdat niet kan worden vastgesteld of eiser daar nog recht op had. Daarnaast heeft het college € 1.157,48 van eiser teruggevorderd, omdat volgens het college aan eiser van 12 april 2018 tot en met 31 mei 2018 ten onrechte bijstand is betaald.
- Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de opschorting, de intrekking en de terugvordering.
- Op 16 december 2024 heeft het college de bezwaren tegen de intrekking en de terugvordering gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft de ingangsdatum van de intrekking gewijzigd naar 1 mei 2018 en de terugvordering verlaagd naar € 744,09. Het bezwaar tegen de opschorting heeft het college ongegrond verklaard.
- Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen evenals de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank stelt voorop dat intrekking van bijstand een voor eiser belastend besluit is. De bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, rust daarom op het college.
- De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 mei 2018, de datum vanaf wanneer de bijstand is ingetrokken, tot en met 31 mei 2018, de datum van het intrekkingsbesluit.
- In deze zaak omvat de besluitvorming drie onderdelen: de opschorting, de intrekking en de terugvordering. Gelet op de inhoud van het beroepschrift gaat de rechtbank ervan uit dat eiser bedoeld heeft tegen alle drie de onderdelen beroep in te stellen. Eiser heeft tegen het opschortingsbesluit slechts aangevoerd dat geen sprake is van een verzuim, althans dat hem niet verweten kan worden dat hij het verzuim niet heeft hersteld. Eiser heeft dit argument ook tegen de intrekking aangevoerd. De rechtbank zal dit argument daarom bij de beoordeling van de intrekking van de bijstandsuitkering bespreken. Aangezien eiser verder geen argumenten tegen de opschorting heeft aangevoerd, zal de rechtbank verder niet op de opschorting ingaan. De rechtbank beoordeelt hieronder eerst de intrekking en daarna de terugvordering.
De intrekking van de bijstandsuitkering
- Het college heeft het recht op bijstand ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet. Het is hiertoe alleen bevoegd als eiser het verzuim dat in het opschortingsbesluit is vastgesteld, niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Als het oordeel luidt dat het verzuim niet tijdig is hersteld, rijst daarna de vraag of eiser dat kan worden verweten.
Was het college bevoegd de bijstand in te trekken?
- Eiser voert aan dat de termijn om de uitkering na opschorting in te trekken was verstreken. Die termijn bedraagt ten hoogste acht weken. Het is vaste rechtspraak dat het college de bijstandsuitkering dan niet meer mag intrekken.
[1]
- De rechtbank volgt eiser hierin niet. De periode waarover de intrekking zich volgens het intrekkingsbesluit van 31 mei 2018 uitstrekt, betreft ook de periode 1 mei 2018 tot en met 31 mei 2018. Dit is korter dan acht weken na 12 april 2018 en na 1 mei 2018. De termijn om de uitkering na opschorting in te trekken was op 31 mei 2018 dus nog niet verstreken.
Verzuim en verwijtbaarheid
- Eiser voert verder aan dat geen sprake is van een verzuim, in ieder geval dat hem niet verweten kan worden dat hij het verzuim niet heeft hersteld. Eiser is jarenlang dakloos geweest en heeft het verzoek om informatie te overleggen en de daaropvolgende besluiten niet gezien. Het postadres waar de stukken naar toe zijn gestuurd is per 31 mei 2018 ingetrokken. In de periode 1 maart 2018 tot en met 27 juni 2018 was eiser door trombose en een hernia niet in staat om langs te gaan op het postadres. Nadat eiser telefonisch contact had opgenomen met het college is hij naar zijn postadres gegaan om zijn post alsnog op te halen. Hij heeft de post daar niet aangetroffen. Eiser is pas in juni 2024 bekend geraakt met het informatieverzoek van het college van 28 maart 2018 en de daarop volgende besluiten. Daarom kan eiser geen verwijt worden gemaakt. Eiser wijst er verder op dat het college zijn bezwaar ontvankelijk heeft verklaard, hoewel hij dat pas in juli 2024 heeft ingediend. Het college heeft daarom blijkbaar aannemelijk geacht dat eiser niet eerder kennis heeft kunnen nemen van de besluiten. Eiser heeft in bezwaar alsnog informatie verstrekt over zijn woon - en leefsituatie en over zijn financiële situatie gedurende de periode 1 maart 2018 tot en met 27 juni 2018. Het college heeft daarom ten onrechte overwogen dat hij de informatie over eisers woon - en leefsituatie niet binnen een afzienbare tijd heeft ontvangen en dat eiser dit niet meer kon herstellen. Eiser heeft in bezwaar alsnog de mogelijkheid gekregen om het verzuim te herstellen en van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Als het college de informatie onvoldoende vond, had het college aan eiser aanvullende informatie moeten vragen.
- Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een verzuim. Als ontvanger van bijstand is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van eiser om zijn post op te (laten) halen. Als hij ziek is, zoals eiser heeft gesteld, kan hij bijvoorbeeld aan iemand anders vragen om zijn post op te halen. De rechtbank wil aannemen dat eiser in die tijd een moeilijke periode doormaakte, maar eiser heeft onvoldoende aangedragen om aan te kunnen nemen dat hij daartoe niet in staat was. Het college heeft voorafgaand aan de opschorting duidelijk gemaakt welke gegevens eiser moest overleggen. Vaststaat dat eiser deze gegevens niet binnen de gestelde termijnen heeft geleverd.
- Over de vraag of eiser kan worden verweten dat hij het verzuim niet tijdig heeft hersteld, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat het college zijn bijstandsuitkering tot en met mei 2018 heeft doorbetaald. Hij besefte daarom pas in juni 2018 dat zijn uitkering was stopgezet. Hij heeft vervolgens met zijn (toenmalige) budgetconsulent gebeld. Deze heeft eiser te kennen gegeven dat hij zijn post niet heeft opgehaald. Eiser is vervolgens naar zijn postadres gegaan, maar heeft de post daar niet aangetroffen. Evenmin is duidelijk geworden waar de post heen is gestuurd. Eiser heeft vervolgens niet opnieuw contact opgenomen met zijn budgetconsulent of een nieuwe aanvraag ingediend. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij geen nieuwe aanvraag heeft ingediend, omdat hem was verteld dat hij of twee adressen moest hebben of naar de opvang moest. Eiser kon echter geen twee adressen krijgen en hij wilde niet naar de opvang, omdat dat psychisch te belastend voor hem was.
- De rechtbank volgt eiser niet dat hem ter zake van het herstel van het verzuim geen verwijt valt te maken. Eiser wist immers in juni 2018 al dat zijn bijstandsuitkering was stopgezet en dat het college hem hierover brieven heeft gestuurd. Het had daarom op zijn weg gelegen om opnieuw contact op te nemen met het college nadat hij de brieven niet op zijn postadres had aangetroffen. Zo had hij het college erop kunnen attenderen dat hij de brieven niet had ontvangen en had hij het college kunnen vragen de brieven opnieuw te versturen of mondeling toe te lichten wat in de brieven stond. Dit heeft eiser niet gedaan.
- Dat eiser te maken had met moeilijke persoonlijke omstandigheden wat betreft zijn woonsituatie (dakloos) en slechte gezondheid (verslavingsproblematiek) maakt dit oordeel niet anders. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door ziekte niet in staat was om zijn post door een ander te laten controleren. Daarnaast geldt dat eiser al in juni 2018 wist dat zijn bijstandsuitkering was ingetrokken en dat het college hierover brieven aan hem had verstuurd, maar daar heeft eiser niet naar gehandeld.
Belangenafweging
- Eiser voert vervolgens aan dat het college geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Het college had hierbij het evenredigheidsbeginsel moeten toepassen. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat het intrekken van de bijstandsuitkering geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is in verhouding tot de met die intrekking te dienen doelen. Eiser kon niet meewerken aan het onderzoek, omdat hij niet wist dat dat onderzoek liep. Dat het lastig is om de woonsituatie in het verleden te controleren, betekent nog niet dat het belang van het college zwaarder weegt. Het college heeft hierbij ten onrechte betrokken dat eiser tijdens een telefoongesprek in het kader van een nieuwe aanvraag heeft aangegeven dat hij door diefstal in zijn levensonderhoud heeft voorzien, waardoor sprake is van oncontroleerbare inkomsten. Het college heeft niet vermeld om welke nieuwe aanvraag het gaat, wanneer dat telefoongesprek dan heeft plaatsgevonden en wat er precies is gezegd. Wat eiser bij een latere aanvraag gezegd heeft, ziet niet op de periode die aan de orde is.
- Niet in geschil is dat eiser het verzuim in de bezwaarfase heeft hersteld. Als na een intrekking met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet de gevraagde gegevens in de bezwaarperiode alsnog zijn overgelegd, is het college bevoegd om de intrekking te handhaven, maar het is daartoe niet verplicht. Het college heeft in die situatie dus de ruimte om af te zien van intrekking en alsnog inhoudelijk te beslissen over het recht op bijstand. Dit betekent dat het college hierbij een belangenafweging moet maken. De gevolgen van het besluit om de intrekking van bijstand te handhaven, mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
[2] De bevoegdheden tot opschorting en intrekking van het recht op bijstand op grond van het eerste en vierde lid van artikel 54 van de Participatiewet zijn bedoeld als dwangmiddel tot nakoming van de wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken of anderszins voldoende mee te werken voor zover dat voor de verlening van bijstand van belang is. Dit is vaste rechtspraak.[3]
- De rechtbank overweegt dat als op basis van de alsnog overgelegde gegevens komt vast te staan dat eiser na de opschorting nog steeds recht had op bijstand, hij een zwaarwegend belang heeft om de in bezwaar overgelegde stukken alsnog bij de besluitvorming te (laten) betrekken. Om tot een evenwichtige belangenafweging te komen, moet het college tegenover dat zwaarwegende belang van eiser een eigen zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking stellen.
[4]
- De rechtbank is van oordeel dat genoemde belangenafweging in het voordeel van het college uitvalt. Het college heeft in de beslissing op bezwaar toegelicht dat de onderzoeksbevindingen – ook met inachtneming van de stukken die eiser in de bezwaarfase heeft overgelegd – onvoldoende aanknopingspunten bieden om het recht op bijstand vanaf 1 mei 2018 vast te stellen. Eiser heeft deze conclusie niet weersproken. Los van de vraag of eiser in deze periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien door winkeldiefstallen te plegen, staat vast dat eiser in deze periode kennelijk in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Hoe hij dat heeft gedaan, heeft hij niet onderbouwd. De rechtbank komt daarom tot de tussenconclusie dat niet kan worden vastgesteld dat eiser recht had op bijstand.
- Anders dan eiser betoogt, komt bij de belangenafweging ook gewicht toe aan de bestuurslast die gepaard kan gaan met het nemen van een inhoudelijke beslissing.
[5] In dit geval zou het college de woon - en leefsituatie en de financiële situatie van eiser van enkele jaren geleden moeten beoordelen. Dit is een zeer lastige opgave, zowel voor eiser om de benodigde gegevens aan te leveren, als voor het college om vervolgens die gegevens te verifiëren. De rechtbank betrekt hierbij ook dat dit lange tijdsverloop (mede) is ontstaan doordat eiser niet eerder contact heeft opgenomen met het college om te melden dat hij de brieven niet heeft ontvangen.
- Al deze feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat het college zijn belang zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eiser. De grond slaagt niet.
- De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het college de bijstand van eiser heeft kunnen intrekken.Terugvordering
- Eiser voert aan dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering en geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Hij heeft hiertoe allereerst dezelfde argumenten aangevoerd als die in het kader van de intrekking. Verder heeft het college ten onrechte betoogd dat eiser een voorstel van het college heeft afgewezen om de intrekkingsdatum te wijzigen naar 1 mei 2018 en af te zien van terugvordering. Het was voor eiser en zijn gemachtigde namelijk niet duidelijk dat sprake was van een voorstel. Uit een e-mailbericht 20 november 2024 van het college kan worden afgeleid dat het college aanleiding zag om geheel af te zien van terugvordering. Het college heeft verder miskend dat eiser in de bezwaarfase alle gevraagde informatie heeft verstrekt. Als de informatie voor het college onvoldoende was, dan had het eiser om aanvullende informatie kunnen vragen. Het college heeft pas in de beslissing op bezwaar kenbaar gemaakt dat de verstrekte informatie niet voldeed, zonder te specificeren welke informatie nodig was om de woon - en leefsituatie vast te kunnen stellen. Het college is er verder mee bekend dat eiser vele jaren dakloos is geweest en een zwervend bestaan heeft geleid, waarbij sprake was van medische problemen en verslavingsproblematiek.
- Op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen de nadelige gevolgen van een besluit voor een betrokkene niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onevenredig nadelige gevolgen. Bij de beoordeling van het evenredigheidsbeginsel gaat het om de vraag of sprake is van een evenwichtige belangenafweging.
[6]
- De rechtbank verwijst allereerst naar rechtsoverwegingen 22 en 23. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het kader van de terugvordering anders te oordelen.
- Ook het betoog van eiser dat het college het voornemen had om geheel van terugvordering af te zien, slaagt niet. Uit de mail van 20 november 2024 van een medewerker van het college volgt namelijk dat volgens het college overeenstemming bereikt kan worden als eiser slechts een herstel van de bijstandsuitkering over de periode 12 april 2018 tot en met 1 mei 2018 verwacht. De gemachtigde van eiser heeft in de mail van 2 december 2024 toegelicht dat de genoemde periode onjuist is. Bij herstel van de uitkering gaat de uitkering namelijk vanaf 12 april 2018 weer voor onbepaalde tijd lopen, aldus de gemachtigde. Dat het college onder deze omstandigheden ook bereid was om van terugvordering af te zien, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gebleken.
- Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij inmiddels woonruimte heeft en een bijstandsuitkering ontvangt. Hoewel hij stelt nog steeds gezondheidsproblemen te hebben, heeft eiser deze niet toegelicht of onderbouwd. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat de terugvordering tot onevenredig nadelige gevolgen leidt.
Dringende redenen
- Eiser voert tot slot aan dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Er is geen sprake geweest van opzet. Dat eiser destijds niet heeft gemeld dat hij zijn post niet kon ophalen en ook niemand heeft gemachtigd om dat te doen, maakt dat niet anders. Eiser heeft meerdere keren telefonisch contact gehad met de Afdeling Inkomen en Budgetbeheer, maar daarbij is hij niet geattendeerd op het lopende onderzoek en de opschorting van zijn uitkering. Tot slot wegen de gevolgen van de terugvordering zwaar voor eiser, mede gelet op zijn moeilijke leefomstandigheden.
- Zoals de Centrale Raad van Beroep in vier uitspraken van 10 december 2024 heeft overwogen, moet de beslissing om al dan niet van terugvordering af te zien op grond van dringende redenen plaatsvinden aan de hand van een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat hetgeen ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
- De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering behoorde te worden afgezien. De vordering waarop de terugvordering ziet, is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van het college. Verder geldt dat eiser de door hem aangevoerde moeilijke leefomstandigheden niet nader heeft onderbouwd. De rechtbank betrekt hierbij tot slot dat eiser van ernstige (financiële) gevolgen van de terugvordering wordt gevrijwaard door toepassing van de beslagvrije voet en de mogelijkheid van een betalingsregeling
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiser verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:864.
Dit volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1120, meer recentelijk herhaald in de uitspraak van de CRvB van 25 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:679.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1772.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:679.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:160. - - - ## Voetnoten