Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:5432 - Rechtbank Amsterdam - 25 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:543225 juli 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6935
en
(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).
  1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete die het college aan eiser heeft opgelegd omdat eiser een woning zonder vergunning heeft omgezet van een zelfstandige woonruimte in vier onzelfstandige woonruimten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe aan dat niet is voldaan aan de cautieplicht en dat de bestuurlijke boete te hoog is. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de bestuurlijke boete stand kan houden.

Procesverloop

  1. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in Amsterdam (de woning). Volgens de Basisregistratie personen staat sinds augustus 2017 niemand meer ingeschreven op dit adres. Deze 'administratieve leegstand' was voor het college aanleiding om een onderzoek in te stellen. Op 30 oktober 2019 hebben toezichthouders van het college een bezoek gebracht aan de woning. Daarbij hebben zij een bewoonster aangetroffen en deze bewoonster heeft verklaard dat er vier personen in de woning wonen.
2.1. Met het besluit van 29 mei 2020 heeft het college aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 6.000, - omdat eiser de woning zonder vergunning heeft omgezet van een zelfstandige woonruimte in vier onzelfstandige woonruimten. Dit is een overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 (de Hw). Met het besluit van 7 december 2020 is eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard.
2.2. Eiser kon zich hiermee niet verenigen en stelde beroep in bij deze rechtbank. In haar uitspraak van 27 januari 2023 heeft de rechtbank eisers beroep ongegrond verklaard.[1]
2.3. Tegen de uitspraak van deze rechtbank heeft eiser hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van eisers hoger beroepschrift en een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 oktober 2024[2], heeft het college aanleiding gezien om het besluit van 7 december 2020 te herzien, waardoor op 16 december 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen (het bestreden besluit). De opgelegde bestuurlijke boete is verlaagd tot een bedrag van € 2.700, - (50% van het oorspronkelijke bedrag, = € 3.000,-, verminderd met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 van het EVRM[3]) = € 2.700,-).
2.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
  1. Artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voorafgaand aan dergelijke verhoren dient aan de betrokkene de cautie te worden gegeven omdat iemand niet tegen zichzelf hoeft te getuigen of een belastende verklaring hoeft af te leggen. Uit (de strekking van) dit artikel volgt dat de cautieplicht bestaat indien naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat een betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Blijft in een zodanig geval de cautie ten onrechte achterwege, dan kan de verklaring van de betrokkene in de regel niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd.[4]
Cautieplicht
  1. Eiser voert aan dat uit het rapport van bevindingen van 30 oktober 2019 niet blijkt dat aan de cautieplicht is voldaan. De bewoonster van de woning is voorafgaand aan het huisbezoek niet gewezen op het recht om te zwijgen en het recht om geen medewerking te verlenen aan het onderzoek. Volgens eiser voelde de bewoonster zich geïntimideerd door de toezichthouders en voelde zij zich verplicht om mee te werken. De door de bewoonster afgelegde verklaring is volgens eiser in strijd met artikel 5:10a van de Awb en artikel 6 van het EVRM waardoor deze verklaring uitgesloten dient te worden van het bewijs. Bij gebrek aan enig ander bewijs kan het bestreden besluit niet meer standhouden en dient de bestuurlijke boete in het geheel vernietigd te worden.
4.1. De rechtbank stelt vast dat de bestuurlijke boete is opgelegd aan eiser als eigenaar van de woning en niet aan de aangetroffen en verhoorde bewoonster. Eiser is bij het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete gewezen op zijn recht om niet te hoeven antwoorden. Dat is ook niet in geschil. In geschil is of ook de bewoonster had moeten worden gewezen op haar zwijgrecht.
4.2. De rechtbank is van oordeel dat de bewoonster niet hoefde te worden gewezen op haar zwijgrecht. In deze zaak gaat het immers om een bestuurlijke boete die aan eiser is opgelegd en niet om een eventuele boete die aan de bewoonster zou kunnen worden opgelegd. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouders zich voor aanvang van het huisbezoek gelegitimeerd hebben tegenover de bewoonster en het doel van hun bezoek hebben toegelicht. De bewoonster heeft de toezichthouders vervolgens toestemming verleend voor het betreden van de woning. De vragen van de toezichthouders waren erop gericht vast te stellen of de woonsituatie in de woning in overeenstemming was met de Hw. Van een verhoor dat is bedoeld met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie was nog geen sprake op het moment van het huisbezoek. De toezichthouders waren op dat moment slechts bezig met het verzamelen van informatie. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat aan de bewoonster tijdens het huisbezoek de cautie had moeten worden gegeven.
4.3. De rechtbank kan zich voorstellen dat de bewoonster, zoals eiser op zitting naar voren heeft gebracht, de controle van de toezichthouders als intimiderend heeft ervaren. Dit raakt eiser echter niet in zijn belangen. Gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, zou een eventuele – hier dus niet aan de orde zijnde – schending van de rechten van de bewoonster nog niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De cautie die de bewoonster mogelijk had moeten krijgen, strekt immers tot bescherming van de rechten van de bewoonster en niet tot bescherming van de rechten van eiser. Dus zelfs als de toezichthouders de bewoonster de cautie hád moeten geven, zijn de rechten van eiser niet geschonden. De cautie is namelijk niet bedoeld om te voorkomen dat iemand anders een bestraffende sanctie krijgt.
Hoogte van de bestuurlijke boete
  1. Eiser heeft op zitting aangevoerd het niet eens te zijn met de hoogte van de bestuurlijke boete en dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Eiser heeft geen kwade bedoelingen gehad en hij heeft altijd een redelijke huur gevraagd van de studenten die in de woning verbleven. Eiser hielp studenten en hij heeft niet bewust iets verkeerd gedaan.
5.1. De rechtbank stelt vast dat deze gronden van eiser al in een eerdere procedure aan de orde zijn gekomen. Daarom verwijst de rechtspraak naar haar uitspraak van 27 januari 2023 voor haar oordeel over deze gronden.[5] Het is niet aan de eigenaar van een woning om de samenstelling van de woningvoorraad in de stad te wijzigen zonder de juiste vergunningen, ook niet als dat met de juiste bedoelingen gebeurt. Dat eiser het oneerlijk vindt dat hij wel is beboet door het college en andere verhuurders niet, is ook geen reden om de bestuurlijke boete te vernietigen of te matigen. Het college heeft immers niet de capaciteit om iedere verhuurder in de stad te controleren. Dat anderen verhuurders mogelijk overtredingen begaan, maakt niet dat de overtreding die eiser heeft begaan minder verwijtbaar is.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 januari 2023, zaaknummer: AMS 21/432.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4087.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2115, r.o. 7.2 en 7.3.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 januari 2023, zaaknummer: AMS 21/432. - - - ## Voetnoten
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 januari 2023, zaaknummer: AMS 21/432.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4087.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2115, r.o. 7.2 en 7.3.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 januari 2023, zaaknummer: AMS 21/432.