Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:5335 - Rechtbank Amsterdam - 18 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:5335•18 juli 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3722
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Mulders).
Procesverloop
2.1. Verweerder heeft met ingang van 26 juli 2024 aan verzoeker een bijstandsuitkering toegekend voor de bijzondere doelgroep van dak - en thuislozen op grond van de Participatiewet (Pw).
2.2. Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 heeft verweerder verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 22 mei 2025 stopgezet en ingetrokken omdat uit onderzoek zou blijken dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.
2.3. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en op 19 juni 2025 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot verlenen van een bijstandsuitkering dan wel voorschotten. Op 11 juli 2025 heeft verzoeker de gronden van zijn verzoek aangevuld.
2.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Verzoeker voert in dit verband aan dat hij zonder bijstandsuitkering in een financieel onhoudbare situatie verkeert omdat hij geen inkomsten heeft. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening hiermee gegeven.
Voorlopige rechtmatigheid besluit
4.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Dit rechtmatigheidsoordeel is een voorlopig oordeel. In een eventuele beroepsprocedure is de bodemrechter daar niet aan gebonden.
4.2. Verweerder heeft in het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering overwogen dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [naam]. Uit het dossier volgt dat zij in Almere woont en ook een bijstandsuitkering ontvangt (naar de norm van een alleenstaande). Op grond van een rapport van het rechtmatigheidsonderzoek van de gemeente Almere heeft het college van die gemeente geconcludeerd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van mevrouw [naam] met verzoeker en heeft het college de bijstandsuitkering van mevrouw [naam] ingetrokken. Verweerder heeft datzelfde rapport ook ten grondslag gelegd aan het in deze zaak bestreden besluit, dus het besluit waarmee de bijstandsuitkering van verzoeker is ingetrokken. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat verzoeker de inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid, van de Pw) heeft geschonden. Hij heeft immers niet doorgegeven dat hij met mevrouw [naam] een gezamenlijke huishouding voert.
4.3. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet een betrokkene aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
4.4. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.5. Verzoeker heeft aangevoerd dat het niet klopt dat hij een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [naam]. Hij is daar meestal een paar dagen in de week, zoals ook opgegeven bij de aanvraag van zijn uitkering. Verzoeker helpt [naam] met haar medische problematiek en de verzorging van de kinderen, waarvan de jongste zijn eigen kind is. Hij is niet gehoord door verweerder voorafgaand aan het intrekkingsbesluit en heeft zijn kant van het verhaal dus niet kunnen doen.
4.6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het rapport van het rechtmatigheidsonderzoek is geïnitieerd door een ander bestuursorgaan dan verweerder in het kader van de bijstandsuitkering van mevrouw [naam]. Het rapport, met daarin ook de bevindingen van het huisbezoek in Almere op 22 mei 2025, bevat verstrekkende conclusies over de (vermeende) woonsituatie van [naam] en verzoeker. Zo worden ook diverse aangetroffen goederen aan verzoeker toegeschreven. [naam] is uitgebreid gehoord door de toezichthouders van de gemeente Almere. Zij heeft in haar verklaring en tijdens het huisbezoek alternatieve verklaringen gegeven voor de aanwezigheid van deze goederen. Verzoeker is niet bevraagd over de situatie zoals deze is beschreven in het rapport. Het had op de weg van verweerder gelegen om verzoeker daartoe uit te nodigen alvorens rauwelijks zijn bijstandsuitkering in te trekken. Hiermee heeft verweerder de onderzoeksplicht geschonden (zoals bedoeld in artikelen 3:2 en 4:8, eerste lid van de Awb). Verweerder stelt dat het weliswaar zorgvuldiger was geweest om verweerder te horen, maar dat hij door dit niet te doen niet in zijn belangen is geschaad. Hij was immers aanwezig tijdens het huisbezoek en heeft op dat moment zijn reactie op de bevindingen kunnen geven. De voorzieningenrechter volgt verweerder daarin niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het moment van het huisbezoek bij mevrouw [naam], in het kader van de rechtmatigheid van haar uitkering, niet het (enige) moment mag zijn waarop verzoeker zijn zienswijze kan geven. Nu verweerder verzoeker niet formeel heeft gehoord naar aanleiding van de bevindingen uit het huisbezoek bij mevrouw [naam], is het onderzoek in deze zaak niet zorgvuldig geweest en berust het bestreden besluit daarom niet op een zorgvuldige voorbereiding. De voorzieningenrechter is concluderend van oordeel dat het bezwaar op redelijke kans van slagen heeft.
Belangenafweging
- De voorzieningenrechter weegt de betrokken belangen als volgt af. In het voordeel van verzoeker weegt mee dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Verder is het belang van verzoeker bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening het kunnen voorzien in zijn levensbehoeften. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wegen de belangen van verzoeker in dit geval zwaarder dan het belang van verweerder.
Conclusie
6.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. De voorzieningenrechter bepaalt dat aan verzoeker vanaf 22 mei 2025 voorschotten moeten worden verstrekt naar de voor hem geldende bijstandsnorm tot zes weken na datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
6.2. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
6.3. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder verder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814, - (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat verweerder aan verzoeker met ingang van 22 mei 2025 voorschotten dient te verstrekken naar de voor hem geldende bijstandsnorm tot zes weken na de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53, - aan verzoeker te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2025.
De voorzieningenrechter is verhinderd
*deze uitspraak te ondertekenen.*
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: