Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:5187 - Rechtbank Amsterdam - 14 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:518714 juli 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6438

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2025 in de zaak tussen

**[eiseres], handelend onder de naam [naam],**uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. R.P. Kuijper),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Mensing van Charante).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of verweerder op goede gronden is gekomen tot verlenging van het bevel van de toezichthouder[1] aan eiseres om geen kinderen op te vangen en tot het verbod om de exploitatie van [naam] te hervatten totdat is gebleken dat zij aan de kwaliteitseisen van de Wet [bedrijf] (Wko) voldoet.
Met het primaire besluit van 22 april 2024 heeft verweerder het bevel van de toezichthouder verlengd en eiseres verboden om de exploitatie van [naam] te hervatten totdat is gebleken dat zij aan de kwaliteitseisen van de Wko voldoet. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiseres de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 13 november 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door mr. R. Kloese. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [de persoon 1], [de persoon 2] en [de persoon 3].

Totstandkoming van de besluiten

  1. Eiseres heeft een [bedrijf] in Amsterdam geëxploiteerd. Op 5 april 2024 heeft de GGD een jaarlijks locatiebezoek uitgevoerd bij eiseres. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de toezichthouder geconcludeerd dat de kwaliteit van de [bedrijf] zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. De toezichthouder heeft daarom op 15 april 2024 een schriftelijk bevel aan eiseres opgelegd dat zij voor de duur van zeven dagen geen kinderen op mag vangen totdat aan de kwaliteitseisen die aan de [bedrijf] zijn gesteld wordt voldaan.
  1. De GGD heeft op 15 april 2024 een extra locatiebezoek uitgevoerd. De bevindingen van de onderzoeken zijn neergelegd in een inspectierapport van 19 april 2024. De GGD heeft naar aanleiding van dit laatste onderzoek geconcludeerd dat eiseres de maatregelen in het bevel onvoldoende heeft opgevolgd. Eiseres heeft niet aangetoond hoe zij de kwaliteitseisen zou gaan naleven. Verder leverde eiseres geen zakelijke bescheiden aan waaruit blijkt hoe zij de overtredingen opheft.
  1. Verweerder heeft hierna de in de inleiding genoemde besluiten genomen. Volgens verweerder wordt er structureel onvoldoende gekwalificeerd personeel ingezet en is het niet duidelijk wie eindverantwoordelijk is voor het bieden van verantwoorde dagopvang. Ook is er geen achterwacht aanwezig. Er wordt verder geen stabiliteit geboden aan de kinderen omdat er geen vaste gezichten worden ingezet. Daarbij is het onduidelijk welke beroepskracht wanneer wordt ingezet en is de administratie niet in orde.
  1. Hangende de beroepsprocedure is per 1 december 2024 de toestemming aan eiseres tot exploitatie ingetrokken en is de locatie van de [bedrijf] uitgeschreven uit het landelijk register [bedrijf].

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden het bevel van de toezichthouder heeft verlengd en eiseres heeft verboden om de exploitatie van [naam] te hervatten totdat is gebleken dat zij aan de kwaliteitseisen van de Wko voldoet. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  1. De toezichthouder kan een schriftelijk bevel geven aan een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang indien hij oordeelt dat de kwaliteit van de [bedrijf] bij een kindercentrum of een voorziening voor gastouderopvang zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden.[2] In het geval van eiseres heeft de toezichthouder op 15 april 2024 een schriftelijk bevel gegeven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door verweerder kan worden verlengd.[3] Verweerder mag daarbij, gelet op de deskundigheid van de GGD, in beginsel van een inspectierapport uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen.[4] Verweerder kan de houder daarnaast verbieden de exploitatie van een kindercentrum voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.[5] Nu eiseres het bevel van de toezichthouder van 15 april 2024 niet heeft opgevolgd, mocht verweerder dit bevel in beginsel verlengen en ook een exploitatieverbod opleggen.
  1. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt aan welke kwaliteitsvereisten zij moest voldoen om het bevel op te heffen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bevel van 15 april 2024 duidelijk welke maatregelen eiseres moest nemen om op een verantwoorde wijze [bedrijf] te bieden. Eiseres moest er in ieder geval voor zorgen dat er voldoende gekwalificeerd personeel en voldoende vaste gezichten worden ingezet en dat de beroepskrachten op de hoogte zijn van het pedagogisch beleid. Daarnaast moest de administratie zodanig zijn ingericht dat inzichtelijk is welke kinderen worden opgevangen en welke personen wanneer werkzaam zijn. Verweerder heeft met het primaire besluit dit bevel verlengd. In het primaire besluit zijn dezelfde maatregelen nogmaals opgesomd. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom deze opsomming niet duidelijk is. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat deze maatregelen ruimte laten voor een beoordeling door verweerder, maakt deze enkele stelling het voorgaande niet anders.
  1. De stelling van eiseres dat het bevel voor onbepaalde tijd is verlengd, volgt de rechtbank evenmin. Uit het primaire besluit blijkt namelijk dat de toestemming definitief wordt ingetrokken, indien eiseres niet vóór 28 mei 2024 kan aantonen dat alle overtredingen zijn opgeheven en zij maatregelen heeft genomen waarmee zij nieuwe overtredingen voorkomt. Het moest eiseres dan ook duidelijk zijn dat zij voor 28 mei 2024 actie moest ondernemen. Dat verweerder eiseres hierna nog een ruimere termijn heeft geboden om maatregelen te nemen, maakt het voorgaande niet anders.
  1. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat er geen noodzaak was voor een verlenging van het bevel en het opleggen van een exploitatieverbod, omdat minder ingrijpende handhavingsmiddelen hadden kunnen worden ingezet. Verweerder heeft voldoende en navolgbaar toegelicht dat in het geval van eiseres geen andere maatregelen meer mogelijk waren. Verweerder heeft daarbij het volgende in aanmerking mogen nemen. Er zijn al sinds 2012 ernstige zorgen over de kwaliteit van de [bedrijf]. In de jaarlijkse onderzoeken worden (herhaalde) overtredingen vastgesteld. Er is een lange handhavingsgeschiedenis. Eiseres heeft meerdere kansen gekregen om te zorgen voor structurele verbetering. Ook zijn er daartoe meerdere gesprekken gevoerd met eiseres. Eiseres heeft weliswaar verbeterplannen opgesteld met behulp van een extern adviesbureau, maar deze plannen hebben niet geleid tot een duurzame verbetering. Op 7 juni 2023 heeft de gemeente Amsterdam een waarschuwing exploitatieverbod gegeven. De GGD heeft vervolgens op 5 april 2024 en op 15 april 2024 de locatie bezocht. Tijdens deze bezoeken is geconstateerd dat er wederom geen verantwoorde [bedrijf] wordt geboden. Zoals in overweging 3 is vermeld, werd er in de [bedrijf] onder meer structureel onvoldoende gekwalificeerd personeel ingezet en was het niet duidelijk wie eindverantwoordelijk is voor het bieden van verantwoorde dagopvang. Eiseres was tijdens deze bezoeken bovendien in het buitenland en op dat moment was er geen eindverantwoordelijke aanwezig. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het bevel om geen kinderen op te vangen mogen verlengen en een exploitatieverbod mogen opleggen, zolang het bevel niet is opgevolgd.
  1. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat desondanks had kunnen worden volstaan met een locatieverbod of een last onder dwangsom, slaagt deze beroepsgrond niet. Gelet op de uitgebreide handhavingsgeschiedenis heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk mogen achten dat het wederom opleggen van een last onder dwangsom niet tot het naleven van de gestelde kwaliteitseisen zou leiden. Verweerder heeft daarnaast terecht overwogen dat met een locatieverbod de kwaliteit van [bedrijf] niet zou worden hersteld. Verweerder heeft zich ten slotte terecht op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk was om bestuursdwang in te zetten, omdat het nalaten van verplichtingen op grond van de Wko, waar het bij de [bedrijf] van eiseres om ging, zich niet leent voor feitelijke uitvoering door het college.

Conclusie en gevolgen

  1. Uit het voorgaande volgt dat de door eiseres aangevoerde gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling dan wel een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
    

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, voorzitter, mr. L.Z. Achouak el Idrissi en mr. E.M. Hansen-Löve, leden, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier*.*De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2025.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
De directeur publieke gezondheid van de GGD Amsterdam (GGD).
Dit volgt uit artikel 1.65, derde lid, van de Wko.
Dit volgt uit artikel 1.65, vierde lid, van de Wko.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1103.
Dit volgt uit artikel 1.66, eerste lid, van de Wko. - - - ## Voetnoten
De directeur publieke gezondheid van de GGD Amsterdam (GGD).
Dit volgt uit artikel 1.65, derde lid, van de Wko.
Dit volgt uit artikel 1.65, vierde lid, van de Wko.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1103.
Dit volgt uit artikel 1.66, eerste lid, van de Wko.