Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:5186 - Rechtbank Amsterdam - 17 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:5186•17 juli 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/4152
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit Amsterdam, verzoekers
(gemachtigde: mr. O. Smits),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. H. Hasnai en mr. N.J. van der Pol).
Inleiding
1.1. Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 heeft verweerder de woning aan de Erich [adres] in Amsterdam (hierna: de woning) gesloten voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
1.2. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van verweerder.
1.4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe; - schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194, - aan verzoekers moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan verzoekers.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- Partijen hebben de bevoegdheid van verweerder om de woning te sluiten niet betwist. Gelet op de handelshoeveelheid soft - en harddrugs die is aangetroffen in de woning, de aantoonbare loop naar de woning en het gevaar van ripdeals was verweerder bevoegd om te woning te sluiten.
- De evenredigheidsbeoordeling van de voorzieningenrechter bestaat uit een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het bestreden besluit. Het doel van de sluiting van de woning is het afgeven van een signaal en herstel van de openbare orde. Verweerder wil naar buiten laten zien dat er geen drugs meer wordt verhandeld, gedistribueerd dan wel bewerkt vanuit de woning en dat zij optreedt tegen de aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs in woningen. Hiermee wil verweerder het risico voorkomen dat criminelen naar de woning komen. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025
[1] wordt benadrukt dat, gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op de grondrechten van de bewoners, de toetsing bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend is.
- Uit de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 blijkt verder dat het tijdsverloop, tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds de sluiting, bij het beoordelen van de geschiktheid en de noodzakelijkheid, een relevante factor is die moet worden meegenomen in de besluitvorming. De doorzoeking van de woning door de politie heeft plaatsgevonden op 27 mei 2025 en de bestuurlijke rapportage is op 5 juni 2025 opgemaakt. Pas op 14 juli 2025 heeft verweerder een bevel tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden gegeven. Hiertussen zit bijna 6 weken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder dit tijdsverloop moeten meewegen in de besluitvorming en moeten motiveren waarom sluiting voor drie maanden nog een geschikt middel is, gelet op het feit dat daarna niet meer is gebleken van een loop naar de woning of van meldingen van bijvoorbeeld omwonenden in het kader van overlast. Ook is er geen nieuwe informatie uit het politieonderzoek gekomen. Hier speelt ook mee dat voor de doorzoeking geen blijk is geweest van overlast ten aanzien van het pand, los van de anonieme melding uit 2023. Bovendien acht de voorzieningenrechter van belang dat uit het beleid volgt dat de termijn van drie maanden nodig is om de geschonden openbare orde te herstellen en de doelen te bereiken die met de sluiting worden beoogd. Een tijdsverloop van bijna zes weken vanaf de constatering van de schending van de openbare orde tot de besluitvorming, vormt reeds de helft van de in de beleidsregels genoemde termijn om de openbare orde te herstellen. Dat in die termijn geen nadere overlast en incidenten hebben plaatsgevonden, zijn omstandigheden die moeten worden meegenomen in de beoordeling. Dit heeft verweerder niet gedaan in het bestreden besluit waardoor de geschiktheid van het middel en de noodzaak om op 14 juli 2025 de woning voor nog drie maanden te sluiten, onvoldoende is gemotiveerd.
- Daarbij komt dat de belangen van verzoekers onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming. Verweerder dient bij de evenwichtigheid de nadelige gevolgen voor verzoekers af te wegen tegen de doelen van de sluiting. In het bestreden besluit is gesteld dat verzoekers voldoende zelfredzaam zijn na de sluiting. De GGD heeft naar aanleiding van een huisbezoek geconcludeerd dat verzoekers zelf een ander onderkomen kunnen vinden. Verweerder is van mening dat zij op dit advies van de GGD mocht afgaan en heeft voldaan aan haar zorgplicht op dit punt. Verzoekers zijn immers primair verantwoordelijk voor het vinden van een alternatieve woonplek. De voorzieningenrechter acht het advies van de GGD niet concludent. Niet inzichtelijk is hoe de GGD heeft geconcludeerd dat verzoekers zelfredzaam zijn. Er wordt namelijk ook gezegd dat er mitsen en maren zijn omdat verzoekers bekend zijn met verslavingsproblematiek en ADHD. Echter komt de GGD vervolgens ongemotiveerd tot de conclusie dat zij ervan zijn overtuigd dat verzoekers zelf een ander onderkomen gaan vinden. Verzoekers stellen daar echter tegenover dat, vooral van den Heuvel, een zware vorm van ADHD heeft en voor zijn functioneren afhankelijk is van medicatie en een stabiele omgeving. Hij heeft daarom een bijzondere binding met de woning. Verzoekers hebben geen alternatieve plek om te wonen. Familie van verzoekster woont in het buitenland en verzoekers hebben een beperkt netwerk hier. Het sluiten van de woning zal gelet op de psychische gesteldheid van meneer een enorme impact hebben voor zijn functioneren. In de desgevraagde nadere toelichting van de GGD, wordt gesteld dat daarbij deels wordt aangesloten, maar wordt wederom enkel een vermoeden uitgesproken dat verzoekers de capaciteit hebben om zelf ergens een onderkomen te vinden. De voorzieningenrechter is gelet op voorgaande van oordeel dat de belangen van verzoekers onvoldoende zijn meegewogen en dat het advies van de GGD onvoldoende inzichtelijke en concludent is. Dat de sluiting evenwichtig is, is daarom onvoldoende gemotiveerd.
- Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst daarom de voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat het bevel tot sluiting zal worden geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
- Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgt verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
- Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2025 door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
ECLI:NL:RVS:2025:2922. - - - ## Voetnoten