Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:5099 - Rechtbank Amsterdam - 18 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:5099•18 juli 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2180
(gemachtigde: mr. J.P.J. Franssen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).
- Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV de arbeidsongeschiktheid van eiseres juist heeft vastgesteld. Volgens het UWV is eiseres 45,53% arbeidsongeschikt. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft dit onderbouwd met rapportages van door haar ingeschakelde deskundigen (verzekeringsarts en arbeidsdeskundige).
Procesverloop
- Met een besluit van 20 juni 2023 heeft het UWV eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, op basis van een arbeidsongeschiktheid van 70,30%.
2.1. Met het bestreden besluit van 7 maart 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV de arbeidsongeschiktheid van eiseres gewijzigd vastgesteld op 45,53%.
2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot [naam 1], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
2.4. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst[1] om eiseres de gelegenheid te geven om een reactie van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts [naam 2] op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 2025 in te dienen. Eiseres heeft deze aanvullende rapportage op 15 april 2025 ingediend. Het UWV heeft hier op 28 mei 2025 op gereageerd. Omdat beide partijen daarna niet om een nadere zitting gevraagd hebben, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 19 juni 2025.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
- Eiseres verzoekt de rechtbank de reactie van het UWV van 28 mei 2025 buiten beschouwing te laten in haar beoordeling. Volgens eiseres heeft het UWV te laat een reactie gegeven op de rapportage van [naam 2]. Dit terwijl het UWV op de zitting heeft aangegeven te verwachten binnen twee weken met een reactie te komen. Voor zover die termijn niet haalbaar zou zijn, had het UWV dit op de zitting kenbaar moeten maken.
3.1. De rechtbank gaat hier niet in mee. In haar schorsingsbeslissing heeft de rechtbank geen fatale termijn gesteld, maar een termijn van orde. Niet is gebleken – noch is aangevoerd – dat de goede procesorde geschaad is. Bovendien is het primair in het belang van eiseres geweest dat de rechtbank het onderzoek geschorst heeft, om haar in de gelegenheid te stellen een nadere rapportage in te dienen. De rechtbank ziet geen reden om de reactie van het UWV hierop buiten beschouwing te laten. De rechtbank betrekt de reactie van het UWV van 28 mei 2025 dus bij haar beoordeling.
Wat aan deze procedure voorafging
- Eiseres was laatstelijk werkzaam als pensioen medewerker voor 37,93 uur per week. Op 30 maart 2020 meldde eiseres zich ziek wegens depressieve klachten. Vervolgens ontving eiseres uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet, Ziektewet en Wet arbeid en zorg. Op 12 januari 2022 heeft eiseres bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd.
4.1. Aan het besluit van 20 juni 2023 heeft het UWV een rapport van een verzekeringsarts (de primaire verzekeringsarts) van 25 mei 2023, met een opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 mei 2023 en 9 juni 2023, en een rapport van een arbeidsdeskundige van 15 juni 2023 ten grondslag gelegd.
4.2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV een rapport van een arts niet-zijnde verzekeringsarts (de bezwaararts), onder supervisie van een verzekeringsarts, met een opgestelde FML van 4 maart 2024, en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 maart 2024 ten grondslag gelegd.
4.3. Kern van het geschil is of het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres op28 maart 2022 (de datum in geding) voor 45,53% arbeidsongeschikt is.
4.4. Het UWV mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. De rechtbank gaat hieronder in op de vraag of de opgestelde medische en arbeidskundige rapportages voldoen aan deze voorwaarden.
Overwegingen
Medische overwegingen
- De rechtbank stelt vast dat, naar aanleiding van het bezwaar van eiseres, de bezwaararts de FML ten opzichte van de primaire beoordeling op vier beoordelingspunten heeft aangepast. Op beoordelingspunt 1.8.1 (werk waarbij cliënt niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen) en beoordelingspunt 1.8.7 (werk niet boven normale concentratie, geen grote eindverantwoordelijkheid) heeft de bezwaararts geen beperking aangenomen. De werktijden (beoordelingspunten 6.2 en 6.3) heeft de bezwaararts gewijzigd van 4 uur per dag en 20 uur per week naar 6 uur per dag en 30 uur per week. Het geschil beperkt zich tot deze aanpassingen.
Urenbeperking
5.1. De primaire verzekeringsarts heeft in haar rapport van 25 mei 2023 overwogen dat bij eiseres sprake is van een aandoening die met objectieve stoornissen in de energiehuishouding gepaard gaat. Er is sprake van initiatiefloosheid en tekort aan energie en eiseres heeft regelmatig extra recuperatietijd nodig. In zijn rapport van 7 januari 2025 heeft [naam 2] deze conclusie onderschreven. Volgens [naam 2] is sprake van een psychiatrisch ziektebeeld, waarbij zeer frequent sprake is van vermoeidheid naast slaapproblemen – hetgeen ook bij eiseres het geval was en is. De vermoeidheid en de verminderde recuperatie middels slaap door de in - en doorslaapstoornis geven aanleiding tot een urenbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week. Daarentegen vindt [naam 2] dat de bezwaararts niet duidelijk motiveert waarom de urenbeperking circa twee jaar na datum in geding wordt aangepast, bij een adequate primaire WIA-beoordeling per einde wachttijd.
5.2. De bezwaararts heeft in haar rapport van 26 februari 2024 gemotiveerd dat tijdens de anderhalf uur durende hoorzitting geen enkele sprake is van zichtbare moeheid of verval. Eiseres is in staat om initiatieven te ontplooien, onder andere dagelijks wandelen met haar buurvrouw en het huiswerk van de kinderen overzien. Eiseres is over de behoefte aan recuperatie wat inconsistent, bijvoorbeeld over de behoefte aan slapen. Volgens de bezwaararts kan het, zij met coulance, worden gevolgd dat er enig gebrek is aan energie, maar niet in de mate dat eiseres niet in staat zou zijn om meer dan 4 uur per dag, maximaal 20 uur per week te werken. Daarom vermindert zij de urenbeperking.
5.3. De rechtbank overweegt dat sprake is van een situatie waarbij twee verschillende medische standpunten worden ingenomen door drie artsen. Aan de ene kant een primaire verzekeringsarts van het UWV en een door eiseres ingeschakelde verzekeringsarts en aan de andere kant een bezwaararts van het UWV. In het geval een arts de conclusies van twee andere artsen tegenspreekt, dient hij dit goed te onderbouwen. Dat geldt temeer als het gaat om de vaststelling van beperkingen door daarin gespecialiseerde verzekeringsartsen. Zo niet, dan ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om de conclusies van de verzekeringsartsen die het met elkaar eens zijn terzijde te schuiven. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaararts er niet in geslaagd is om de conclusies van de primaire verzekeringsarts en [naam 2] te weerleggen. Dit motiveert zij als volgt.
5.4. De bezwaararts kan de behoefte aan recuperatie niet exact vaststellen, maar gaat er wel vanuit dat eiseres energetische beperkingen heeft. Alle artsen zijn het erover eens dat er een indicatie voor een urenbeperking is. Tussen de artsen bestaat discussie over wat de omvang hiervan dient te zijn. De primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft het dichtst op de datum in geding plaatsgevonden en deze wordt onderschreven door verzekeringsarts [naam 2]. De rechtbank leest in de rapporten van de bezwaararts geen concrete motivering op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van de primaire beoordeling op dit punt. De rechtbank gaat daarom uit van de conclusies van de primaire verzekeringsarts en [naam 2] dat eiseres 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken. Dat de behoefte aan recuperatie volgens de bezwaararts inconsistent is, betekent niet dat eiseres geen of sterk verminderd behoefte aan recuperatie heeft. [naam 2] heeft gerapporteerd dat in verband met het psychiatrisch ziektebeeld van eiseres zeer frequent sprake is van vermoeidheid naast slaapproblemen.
Persoonlijk functioneren
5.5. De primaire verzekeringsarts heeft in haar rapport van 25 mei 2023 opgeschreven dat het duidelijk is dat de psychische klachten van eiseres tot een beduidend verminderde mentale belastbaarheid leiden, gepaard gaande met afgenomen persoonlijk en sociaal functioneren. Daardoor is eiseres volgens de primaire verzekeringsarts aangewezen op werk waar ze niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen en beperkt is voor werk boven normale concentratie en grote eindverantwoordelijkheid. [naam 2] deelt deze conclusies en rapporteert aanvullend dat sprake is van een depressief beeld en gegeneraliseerde angststoornis. Als gevolg daarvan is op datum in geding sprake van een intern en extern consistent geheel van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen. Volgens [naam 2] komt de noodzaak tot een prikkelarme omgeving evident voort uit het gediagnosticeerde ziektebeeld. Daarnaast heeft [naam 2] tijdens het spreekuur milde aanwijzingen voor aandachts - of concentratiestoornissen opgemerkt. Naarmate het gesprek vorderde werd eiseres zichtbaar vermoeider en nam de concentratie af.
5.6. Daar tegenover heeft de bezwaararts op 26 februari 2024 gerapporteerd dat eiseres tijdens het spreekuur weliswaar wat vlak in de presentatie is, maar van volledige anhedonie (vreugdeloosheid) geen sprake is en zij is nog wel in staat om initiatieven te ontplooien. De bezwaararts wijst er verder op dat eiseres tijdens de anamnese van de primaire verzekeringsarts aangegeven heeft nog steeds dezelfde klachten als drie jaar geleden te hebben, maar zij is toen wel in staat geweest om op vakantie naar Spanje te gaan. De GGZ heeft op 17 september 2020 een depressieve stoornis, recidiverend en matig van ernst gediagnosticeerd. Na deze behandeling is verbetering opgetreden en werd de diagnose gesteld op een ongespecificeerde depressieve stemmingsstoornis, waarbij deze opnieuw niet als ernstig werd geclassificeerd. De bezwaararts wijst er verder op dat eiseres pas na het besluit van 20 juni 2023 verzocht heeft om verwijzing naar de psycholoog en er sinds 16 maart 2022 geen contact met de huisarts was. Wel is volgens de bezwaararts sprake van een vermijdend karakter. Volgens de bezwaararts kan van daadwerkelijke ziekte of gebrek in deze niet worden gesproken en zijn verdere beperkingen in de FML op basis hiervan dan ook niet te rechtvaardigen.
5.7. De rechtbank overweegt over de beoordelingspunten 1.8.1 en 1.8.7 dat er, net als bij de urenbeperking, discussie bestaat tussen de artsen. De toelichting van de primaire verzekeringsarts en [naam 2] acht de rechtbank navolgbaar, nu zij expliciet ingaan op de gevolgen die het ziektebeeld van eiseres heeft voor het vermogen om met afleiding door anderen en boven normale concentratie of grote eindverantwoordelijkheid te werken. Niet valt in te zien waarom, bijvoorbeeld, het op vakantie naar Spanje gaan maakt dat eiseres niet beperkt te achten valt voor voornoemde beoordelingspunten. Verder is het de rechtbank onduidelijk welke conclusie volgens de bezwaararts getrokken moet worden uit de door haar ingenomen stelling dat eiseres pas na het besluit van 10 juni 2023 contact heeft gezocht met de psycholoog en daarvoor enige tijd de huisarts niet heeft gesproken. Een en ander hoeft niet direct af te doen aan de medische klachten die eiseres ervaart. Bovendien kan dit het gevolg zijn van het vermijdende karakter van eiseres.
5.8. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende toereikend gemotiveerd heeft waarom zij de beperkingen op beoordelingspunten 1.8.1 en 1.8.7 heeft laten vallen.
5.9. Concluderend berust het bestreden besluit niet op een voldoende draagkrachtige motivering. Het UWV zal dus een nieuwe medische beoordeling moeten verrichten.
Arbeidskundige overwegingen
- Omdat het UWV een nieuwe medische beoordeling zal moeten verrichten, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de arbeidskundige gronden van het beroep.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Het UWV zal eiseres opnieuw medisch moeten beoordelen. Na het medisch onderzoek moet het UWV, als dat nodig is, de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe arbeidskundige beoordeling laten uitvoeren. Op grond van de verkregen onderzoeksgegevens moet het UWV vervolgens een nieuw besluit op het bezwaar nemen, dat betrekking heeft op de datum in geding. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Nu een nadere medische beoordeling moet plaatsvinden, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.
7.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Tevens veroordeelt de rechtbank het UWV in de kosten van het beroep. Eiseres heeft verzocht om € 2.541, - voor kosten van de door haar ingeschakelde deskundigen (verzekeringsarts en arbeidsdeskundige).
7.2. Bij de vergoeding voor de door eiseres ingeschakelde deskundigen geldt als uitgangspunt artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), gelezen in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de Wet tarieven in strafzaken en artikel 8 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. In de factuur is het totaal aantal bestede uren vastgesteld op 13,5 uur. Op de zitting heeft de gemachtigde van het UWV deze tijdsbesteding reëel geacht. De factuur is gedateerd 9 oktober 2024. Voor opdrachten verstrekt in 2024 geldt een maximum uurtarief van € 154,50.[2] De rechtbank stelt de vergoeding vast op 13,5 x € 154,50, zijnde € 2.085,75. Inclusief 21% btw is dit € 2.523,76.
7.3. Daarnaast krijgt eiseres voor de rechtsbijstand een vast bedrag per proceshandeling. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op € 1.814, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907, - per punt).
7.4. Het totale bedrag aan proceskosten dat het UWV moet vergoeden komt daarmee op € 2.523,76 + € 1.814, - = € 4.337,76.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van 't Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Besluit van 4 december 2023 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, Staatsblad 2023 449. In verband met de jaarlijkse indexering van de vergoedingen is bepaald welk tarief voor opdrachten die zijn verstrekt op of na 1 januari 2024 moet worden aangehouden. - - - ## Voetnoten