Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:5075 - Rechtbank Amsterdam - 18 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:507518 juli 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3849
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1.1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2025 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2. Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 heeft het college het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het college het misgelopen bedrag aan bijstandsuitkering toekent.
1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Verzoeker is zonder bericht niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
  1. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen.[1] In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
  1. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 2 juli 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief dan wel uiterlijk voor de zitting, als die eerder plaatsvindt. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekende brief bij verzoeker is bezorgd op 4 juli 2025. De griffier heeft op 4 juli 2025 per e-mail een herinnering voor de betaling van het griffierecht gestuurd. Daarbij is verzocht om een betaalbewijs toe te sturen.
  1. Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald en heeft ook niet om vrijstelling van het griffierecht verzocht.
Is het niet betalen van het griffierecht verontschuldigbaar?
  1. Verzoeker heeft desgevraagd, voorafgaand aan de zitting, telefonisch aangegeven het griffierecht betaald te hebben en een betalingsbewijs toe te zullen sturen. Dit heeft verzoeker niet gedaan. Ook heeft hij geen reden gegeven voor dit verzuim en is hij ook niet op de zitting van 9 juli 2025 verschenen om toe te lichten waarom het griffierecht niet is betaald. Er is dan ook geen verontschuldiging voor het verzuim gebleken.

Conclusie

  1. De voorzieningenrechter concludeert dat het griffierecht niet is betaald en hiervoor geen verontschuldiging is. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter in deze uitspraak niet inhoudelijk zal ingaan op de gronden van verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:41 van de Awb. - - - ## Voetnoten
Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.