Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:504 - Rechtbank Amsterdam - 6 februari 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:504•6 februari 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2288
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.C.R. Molenaar),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, het college
(gemachtigde: mr. C.A.K. Denneboom).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 9 oktober 2023 om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het besluit
2.1. Eiser ontving een bijstandsuitkering op het adres [adres] in [woonplaats] (het adres). Het betreft een door de woningbouwvereniging gesplitste woning met twee (afsluitbare) kamers voor eigen gebruik en gezamenlijk sanitair en keuken. Het college heeft deze uitkering met het besluit van 6 februari 2023 per 21 december 2022 ingetrokken en teruggevorderd. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. De reden voor de intrekking en terugvordering was dat eiser ambtshalve is uitgeschreven uit de Basisregistratie personen (Brp) na een door de afdeling Brp uitgevoerd adresonderzoek. Zijn aanvraag tot hervestiging is afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van eiser inzake de Brp-uitschrijving ongegrond verklaard.[1]
2.2. Op 13 juni 2023 heeft eiser opnieuw gevraagd om hervestiging in de Brp. Aanvankelijk is deze aanvraag afgewezen, maar met het besluit op bezwaar van 9 september 2023 is eiser met terugwerkende kracht ingeschreven in de Brp vanaf 13 juni 2023.
2.3. Eiser heeft zich op 22 juni 2023 en 9 oktober 2023 opnieuw gemeld en een bijstandsuitkering aangevraagd. Deze aanvraag is onderwerp van dit geding. Op 28 november 2023 heeft een dienstverleningsgesprek op het raadhuis plaatsgevonden met aansluitend een huisbezoek, waarvan een rapport is opgemaakt met datum 4 december 2023 (het rapport).
- Het college heeft de aanvraag afgewezen en de verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 2.255,78 teruggevorderd, omdat eiser niet heeft aangetoond dat het centrum van zijn leven en hoofdverblijf in de woning is.
[2] In het rapport staat onder meer dat eiser verklaart elke dag overdag in Amsterdam te zijn, maar dat hij in [woonplaats] slaapt. Hij heeft zijn leven in Amsterdam, de gym, zijn moeder, zijn kennissen en vrienden. Op de bankafschriften zijn (bijna) geen afschrijvingen in de gemeente Amstelveen te zien. Wel afschrijvingen in Amsterdam en soms in Beverwijk en Delft. Tijdens het huisbezoek bleek dat de kamer rianter is ingericht dan tijdens de vorige Brp-controles. Dit toont volgens het college echter nog niet aan dat hij er feitelijk woont. Eiser verklaart dat hij geen gebruik wil maken van het gezamenlijke toilet, maar hij heeft verder ook geen toiletmogelijkheid op zijn kamer. Hij maakt geen gebruik van de gezamenlijke badkamer omdat hij deze vies vindt en bewaart zijn toiletspullen in zijn kamer. In eisers koelkast in de gedeelde keuken zijn levensmiddelen aangetroffen evenals in de keukenkastjes. Eiser zegt eten van zijn zus te krijgen, maar hij zegt ook dat hij altijd bij zijn zus eet. Er zijn in de keuken geen bewaarbakken van voedingsmiddelen aangetroffen. Eiser verklaart tegenstrijdig over de wijze waarop hij aan voeding komt en ook over de woonplaats van zijn zus (in Amsterdam / om de hoek). Eiser verklaart dat hij overdag in Amsterdam verblijft vanwege zijn dochter, maar ook dat hij zijn dochter momenteel niet ziet. Op 1, 5, 6, 7, 18, en 20 december 2023 hebben onverwachte huisbezoeken plaatsgevonden, de eerste vier tussen 08.00 uur en 9.55 uur. Er werd niet opengedaan. Op 11, 12, 13, 14 18, 19 en 20 december 2023 hebben toezichthouders van de afdeling Brp op verschillende tijdstippen huisbezoeken verricht. Daarbij werd eveneens niet opengedaan. In de brievenhuis lag van 12 tot en met in ieder geval 14 december 2023 een brief van woonstichting Eigenhaard en daarna meerdere brieven.
- Eiser voert in beroep aan dat hij wel degelijk in de woning woont. Het college baseert haar besluit ten onrechte op een enkele bron, de huisbezoeken in december 2023. Er zijn geen verklaringen van buren in het geding gebracht en evenmin gebruikt het college verbruiksgegevens van gas, licht en water. Medewerkers van woningstichting Eigen Haard zijn op 25 april 2023 en 18 september 2023 op huisbezoek geweest en hebben eiser gecomplimenteerd met de woning. Eigen Haard is volgens eiser tot de conclusie gekomen dat de woning wordt bewoond naar de maatstaven van een alleenstaande man. Eiser was aanwezig bij het uitvoeren van reparatieverzoeken op 24 en 29 december 2023. Het pingedrag kan volgens eiser geen rol spelen bij de beoordeling. Met het besluit op bezwaar van 19 september 2023 over de inschrijving in de Brp is het bezwaar van eiser gegrond verklaard, omdat uit het dossier niet blijkt dat geprobeerd is op andere wijze onderzoek te doen.
Beoordeling door de rechtbank
- Eiser heeft op de zitting benadrukt dat hij bereikbaar was op het adres en dat er vele contactmomenten zijn geweest waaruit blijkt dat hij op het adres woont. De rechtbank stelt vast dat het gaat om momenten nadat eiser vooraf op de hoogte is gebracht van het te houden contact, zoals het huisbezoek na het dienstverleningsgesprek op 28 november 2023. Dat is onvoldoende om aan te tonen dat eiser op het adres woont. Ook de inschrijving in de Brp is niet doorslaggevend voor de vraag over het hoofdverblijf op het adres omdat de inschrijving los kan staan van de feitelijke situatie. Hetzelfde geldt ten aanzien van de omstandigheid dat eiser bij de gemeente aan het loket is geweest voor het aanvragen van energietoeslag.
- Uit het bovenstaande volgt dat het college eisers aanvraag terecht heeft afgewezen op de grond dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het inschrijvingsadres.
- Eiser heeft nog aangevoerd dat het college de voorschotten ten onrechte heeft teruggevorderd nu deze zijn uitbetaald voordat het primaire besluit is genomen. Het tijdstip van de uitbetaling van de voorschotten maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het college geen grondslag heeft de voorschotten terug te vorderen. Een voorschot is juist bedoeld om een periode te overbruggen tussen de aanvraag en een beslissing op de aanvraag. Het was eiser duidelijk, in ieder geval kon het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn, dat voorschotten een voorlopig karakter hebben en nog geen uitsluitsel geven of recht bestaat op een uitkering. Het college was dan ook bevoegd de voorschotten terug te vorderen nu nadien is vastgesteld dat eiser geen recht heeft op bijstand.
[3] Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het college in redelijkheid niet tot de terugvordering kon overgaan.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
6 februari 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Hoger beroep instellen kan door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van 15 november 2024, AMS 23/4522.
Artikel 40 van de Pw.
Op grond van artikel 58, tweede lid, sub d, van de Pw. - - - ## Voetnoten