Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4900 - Rechtbank Amsterdam - 10 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:490010 juli 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1011
(gemachtigde: mr. B. Mous),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).
  1. Deze uitspraak gaat over de opschorting van de bijstandsuitkering van eiseres. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opschorting van de bijstandsuitkering.

Procesverloop

2.1. Het college heeft eiseres in verband met een rechtmatigheidsonderzoek van haar bijstandsuitkering voor gesprekken op het kantoor uitgenodigd en heeft haar verzocht om bepaalde informatie en documenten mee te nemen. Daarbij heeft het college vermeld dat als eiseres niet reageert of niet meewerkt het college het recht op uitkering opschort.
2.2. Met het primaire besluit van 15 april 2024 heeft het college aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 2 april 2024 tijdelijk geen recht heeft op een bijstandsuitkering (opschorten), omdat zij niet alle opgevraagde informatie heeft verschaft. Het college heeft alle gevraagde informatie van haar nodig om te onderzoeken of er iets is veranderd in haar situatie. Met dit besluit heeft het college eiseres in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 29 april 2024 alsnog de gevraagde informatie, meer specifiek alle bankafschriften van al haar bankrekeningen van 1 april 2019 tot en met 1 april 2023, te verstrekken. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3. Met het besluit van 19 juni 2024 heeft het college de bijstand met ingang van 1 april 2024 ingetrokken omdat zij geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om alsnog alle gevraagde informatie te overleggen. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte vaststaat.
2.4. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de opschorting gebleven, omdat eiseres onvoldoende inlichtingen heeft gegeven. Het college heeft meerdere keren de mogelijkheid gegeven om alle benodigde informatie aan te leveren. Eiseres is niet verschenen op de herhaalde oproepen, de opgevraagde informatie is niet volledig van haar ontvangen. Eiseres heeft verzuimd om de informatie binnen de daarvoor gestelde hersteltermijnen te verstrekken.
2.5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3.1. Voordat het beroep inhoudelijk kan worden beoordeeld moet de rechtbank ambtshalve nagaan of eiseres procesbelang heeft. Beoordeeld moet worden of het resultaat dat eiseres met haar beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en feitelijk betekenis kan hebben.
3.2. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet-ontvankelijk is in het beroep tegen het bestreden besluit. Het bestreden besluit, waarbij de opschorting van het recht op bijstand met ingang van 2 april 2024 is gehandhaafd, heeft voor eiseres geen feitelijke betekenis, omdat de intrekking van de bijstand vanaf deze datum in rechte vaststaat. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. In het geval het opschortingsbesluit geen stand zou houden, zal haar situatie – dat zij vanaf 1 april 2024 geen bijstand ontvangt – niet wijzigen omdat de intrekking van haar bijstandsuitkering vanaf die datum in rechte vaststaat.[1] Anders dan eiseres heeft aangevoerd, heeft de uitkomst van het beroep tegen het opschortingsbesluit niet automatisch gevolgen voor het intrekkingsbesluit.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3179. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3179.