Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4817 - Rechtbank Amsterdam - 14 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:481714 juli 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/2795

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(hierna: de gemeente)
(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).

Wat is de aanleiding voor deze rechtszaak?

  1. Eiser is op 22 juli 2024 geopereerd aan zijn linkerknie en kan daardoor slecht traplopen. Met name het gebruik van de trappen naar zijn woning, die zich over twee verdiepingen uitstrekt, vormt een probleem. Daarom heeft eiser bij de gemeente een traplift als maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aangevraagd.
  1. De gemeente heeft de aanvraag afgewezen en dat besluit gehandhaafd met het besluit van 21 maart 2025 (het bestreden besluit). Volgens de adviezen van Argonaut van 5 juni 2024 en 3 januari 2025 is behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorliggend en zal eiser binnen drie tot zes maanden naar verwachting voldoende herstellen om de trap (weer) zelfstandig te kunnen gebruiken. Gelet daarop is een traplift volgens de gemeente niet noodzakelijk.
  1. Eiser is het hier niet mee eens en is daarom deze procedure bij de rechtbank gestart. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden deelgenomen.

Wat vindt eiser?

  1. Volgens eiser heeft de gemeente niet goed gekeken naar zijn persoonlijke situatie. Het is medisch onverantwoord dat hij als 80-jarige man met een pas geopereerde knie nog steeds trappen moet lopen vanwege het risico op valgevaar. Het ontbreken van een traplift vormt een onevenredige belasting en maakt het feitelijk onmogelijk om zelfstandig thuis te blijven wonen. Hierdoor raakt hij sociaal geïsoleerd en is hij voor basale activiteiten afhankelijk van anderen. Dit belemmert zijn recht op privéleven en zijn persoonlijke autonomie.

Wat vindt de rechtbank?

  1. Volgens de rechtspraak bestaat er geen recht op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 als voorzieningen op grond van een andere wettelijke regeling bestaan, waaronder de Zvw.[1] In zoverre volgt de rechtbank het standpunt van de gemeente.
  1. Toch kan aanvullend hulp vanuit de Wmo 2015 nodig zijn en daarom moet de gemeente onderzoeken of naast de medische behandeling vanuit de Zvw tijdelijke ondersteuning nodig is vanuit de Wmo 2015.[2]
  1. Eiser is 80 jaar oud die sinds de operatie aan zijn linkerknie beperkingen ondervindt bij het traplopen. Gelet op de beschikbare medische informatie en de door de gemachtigde van eiser op zitting gegeven toelichting duurt het herstel langer dan verwacht en hij moet nog worden geopereerd aan zijn andere knie. Eiser moet meerdere trappen gebruiken om zijn woning te bereiken en hij is hierbij (nog steeds) afhankelijk van hulp van anderen. Ook heeft eiser tijdens het herstel niet altijd thuis kunnen wonen en bij familieleden moeten wonen.
  1. De gemeente heeft desondanks geen onderzoek gedaan naar eisers tijdelijke behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Dit heeft de gemachtigde van de gemeente op de zitting bevestigd. Daarom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.
  1. De rechtbank zal niet ingaan op de andere beroepsgronden, omdat de gemeente eerst aanvullend moet onderzoeken of ook een (tijdelijke) behoefte bestaat aan maatschappelijke ondersteuning, gelet op de duur van de revalidatie, de omstandigheid dat eiser mogelijk nog wordt geopereerd aan zijn andere knie en zijn (hoge) leeftijd. Eventueel na een aanvullend medisch onderzoek.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De gemeente moet een nieuw besluit nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor moet zij eerst een nieuw, volledig (medisch) onderzoek laten uitvoeren dat ook de (tijdelijke) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning beoordeelt. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
  1. Omdat het beroep gegrond is moet de gemeente het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De gemeente moet deze vergoeding aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de gemeente op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de gemeente het griffierecht van € 53, - aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de gemeente tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2023:1508, overweging 4.7.1.
Idem voetnoot 1. - - - ## Voetnoten
ECLI:NL:CRVB:2023:1508, overweging 4.7.1.
Idem voetnoot 1.