Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4744 - Rechtbank Amsterdam - 9 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4744•9 juli 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/734
en
(gemachtigde: mr. M. Mulders).
Procesverloop
2.1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering voor een alleenstaande op grond van de Pw. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van
16 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
- Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag van eiser in het bestreden besluit onder gewijzigde grondslag gehandhaafd. Er is volgens verweerder onvoldoende bewijs om te stellen dat eiser, in de periode van geding, een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner, mevrouw [naam] , op haar adres. Eiser heeft volgens verweerder echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 15 juli 2024 tot en met 16 september 2024 zijn feitelijke hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven uitkeringsadres omdat eiser onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verschaft omtrent zijn woon - en leefsituatie. Hierdoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre eiser in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en of hij recht heeft op bijstand.
Het toetsingskader
- De rechtbank stelt voorop dat degene die bijstand aanvraagt, aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op eiser. Eiser moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon - en leefsituatie. Daarna moet verweerder in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als eiser niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
[1]
Heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waar hij zijn hoofdverblijf had?
- Eiser heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Eiser stelt voorop dat hij al 35 jaar zijn hoofdverblijf heeft in zijn eigen woning. Hij heeft een relatie, maar hij en zijn partner hebben allebei hun eigen woning en zijn financieel niet verstrengeld. Dat hij circa de helft van de week in haar woning verblijft en dan samen met zijn partner eet doet hier niet aan af. Eiser benadrukt dat tijdens het huisbezoek is vastgesteld dat hij in zijn eigen woning
woont. Verder is eiser het oneens met de stelling van verweerder dat hij onvoldoende
informatie heeft verschaft. Eiser heeft overal, meerdere keren, eerlijk en open antwoord op gegeven en begrijpt niet wat verweerder nog meer wil weten. Verder benadrukt eiser dat de consequenties van het niet toekennen van bijstand voor hem heel groot zijn. Hij is zijn woning kwijtgeraakt en raakt zijn inschrijfduur bij Woningnet kwijt. Tot slot vindt eiser de wijze waarop hij wordt benaderd door verweerder heel vervelend. Hij krijgt het gevoel dat hij als fraudeur wordt bestempeld. In tegenstelling tot wat verweerder suggereert, is er geen sprake van het achteraf intrekken, ontkennen of nuanceren van zijn verklaringen.
6.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onterecht heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven uitkeringsadres. Daarbij is allereerst van belang dat wat eiser heeft verklaard, overeenkomt met de bevindingen van verweerder op basis van het huisbezoek en het administratieve vooronderzoek. Bovendien heeft eiser alle door verweerder gevraagde informatie verstrekt en volledig meegewerkt aan het onderzoek. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat eiser geen juiste en/of volledige informatie heeft verstrekt. Eiser heeft verklaard dat hij regelmatig bij zijn partner verblijft, daar de was doet en dat zij vaak samen eten. Dat maakt niet dat eiser niet zijn hoofdverblijf kan hebben in zijn eigen woning, zijnde het opgegeven uitkeringsadres. Voor de bevindingen van verweerder dat het waterverbruik van eiser nooit is doorgegeven en zijn energieverbruik niet afgelezen kan worden en heel laag is, heeft eiser verklaringen gegeven. Eiser betaalt een vast bedrag voor zijn water (wat is bevestigd door Waternet), heeft geen slimme meter voor het doorgeven van zijn energieverbruik, heeft geen wasmachine en leeft zuinig. Wat betreft zijn pingedrag heeft eiser verklaard dat hij grotere bedragen contant geld heeft opgenomen en daarvan zijn boodschappen doet. Dit blijkt ook uit de door eiser overgelegde bankafschriften. Deze bevindingen zijn daarom onvoldoende om te stellen dat eiser zijn hoofdverblijf niet in zijn woning zou hebben. Verder heeft eiser, in overeenstemming met de bevindingen van verweerder tijdens het huisbezoek, verklaard over zijn woning. De details met betrekking tot de inrichting van de woning kloppen en in de woning zijn persoonlijke spullen, administratie en kleding aangetroffen. Op de brieven van verweerder, die zijn verzonden aan het opgegeven uitkeringsadres, heeft eiser steeds tijdig en zo nodig binnen enkele dagen gereageerd. Dat eiser naar een tandarts op [locatie] gaat kan geen reden zijn om aan te nemen dat hij op het uitkeringsadres woont. Datzelfde geldt voor het feit dat de ruimte waarin eiser een cursus kan geven zich bij zijn partner bevindt.
6.2. Op zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat eiser ook niet wordt verweten dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt. Verweerder heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door eiser aangeleverde informatie maar vindt de informatie onvoldoende om vast te stellen waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Tegelijkertijd heeft verweerder desgevraagd niet aangeven welke informatie eiser nog zou kunnen verstekken om zijn hoofdverblijf wel aannemelijk te maken. Verweerder heeft ook geen gebruik gemaakt van het aanbod van eiser om een huisbezoek af te leggen bij zijn partner. Op zitting heeft de gemachtigde van verweerder opgemerkt dat het ook mogelijk is dat er niet meer informatie beschikbaar is die eiser kan verstrekken om zijn hoofdverblijf aannemelijk te maken en dat het hoofdverblijf van eiser daarom niet kan worden vastgesteld. Die uitkomst past naar het oordeel van de rechtbank niet binnen het doel van de Participatiewet.
Conclusie en gevolgen
7.1. De rechtbank concludeert dat in het bestreden besluit ten onrechte is geconcludeerd dat eiser onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verschaft over zijn woon - en leefsituatie. Eiser heeft alle door verweerder gevraagde informatie verstrekt en volledig meegewerkt aan het onderzoek. Op grond van de door eiser verstrekte informatie, waarin geen onjuistheden zijn vastgesteld, en bevindingen uit het onderzoek van verweerder is er onvoldoende reden om te twijfelen dat eiser zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven uitkeringsadres. Het bestreden besluit is dus niet deugdelijk gemotiveerd. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder eisers aanvraag van 15 juli 2024 ten onrechte heeft afgewezen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt daarom vernietigd.
7.2. Omdat dit gebrek wegens het tijdsverloop en de inmiddels gewijzigde situatie van eiser niet meer kan worden hersteld, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het besluit van 16 september 2024 te herroepen en te bepalen dat eiser vanaf datum aanvraag van de uitkering recht heeft op een bijstandsuitkering. Ter zitting is vast komen te staan dat eiser vanaf 27 maart 2025 bij zijn partner op haar adres woont en daardoor niet meer bijstandbehoevend is. De einddatum van de bijstandsuitkering wordt daarom bepaald op
27 maart 2025. Dat betekent dat eiser alsnog over de periode van 15 juli 2024 tot
27 maart 2025 een bijstandsuitkering krijgt.
7.3. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 19 december 2024; - herroept het besluit van 16 september 2024; - bepaalt dat eiser met ingang van 15 juli 2024 tot 27 maart 2025 bijstand wordt toegekend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53, - aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 2 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:814 en van 5 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:409. - - - ## Voetnoten