Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4743 - Rechtbank Amsterdam - 9 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:47439 juli 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/6655
en
(gemachtigde: mr. M. Mulders).

Procesverloop

2.1. Verweerder heeft met het besluit van 29 april 2024 de bijstand van eiser voor de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 herzien, van hem € 902,10 teruggevorderd en bepaald dat dit bedrag wordt afgelost door inhouding van € 64,19 per maand op zijn bijstandsuitkering (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van
3 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1. Eiser ontvangt sinds 1 januari 2022 een bijstandsuitkering. Op 7 november 2023 heeft eiser aan een klantbegeleider van verweerder doorgegeven dat hij per
1 november 2023 parttime aan het werk is voor 20 uur per week. Eiser heeft hierbij loonspecificaties overgelegd. Op 25 januari 2024 heeft verweerder naar aanleiding van deze specificaties en het inkomstensysteem Suwinet, vastgesteld dat eiser in de onderstaande periode de volgende inkomsten had, naast zijn uitkering:
9-10-23 t/m 05-11-23  € 275,42 netto
06-11-23 t/m 03-12-23  € 1.887,76 netto
04-12-23 t/m 31-12-23  € 1.721,87 netto
Over de periode 1 oktober tot en met 31 oktober 2023 heeft eiser volgens verweerder een bedrag van € 1.037,04 aan uitkering ontvangen, terwijl hij recht had op een bedrag van
€ 804,92. Over de periode 1 november tot en met 30 november 2023 heeft eiser een bedrag van € 334,99 aan uitkering ontvangen, terwijl hij recht had op een bedrag van € 0,00. Over de periode 1 december tot en met 31 december 2023 heeft eiser een bedrag van € 334,99
ontvangen, terwijl hij recht had op een bedrag van € 0,00. Op basis van deze verrekening heeft eiser in totaal over deze maanden € 902,10 te veel aan bijstand ontvangen. Eiser heeft namelijk in totaal over de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 een bedrag van € 1.707,02 aan bijstand ontvangen, terwijl hij volgens verweerder recht had op een bedrag van € 804,92.
3.2. Met het primaire besluit van 29 april 2024 heeft verweerder de bijstand van eiser over de maanden oktober, november en december 2023 voor de inkomsten herzien en bepaald dat eiser de te veel ontvangen bijstand moet terugbetalen via een inhouding per maand op zijn bijstandsuitkering van € 64,19. In het bestreden besluit is verweerder bij het primaire besluit gebleven. Verweerder ziet in eisers omstandigheden geen aanleiding om van terugvordering van de ten onrechte betaalde bijstand af te zien
Overwegingen
4.1. Eiser voert aan dat de bedragen waaruit de terugvordering van € 902,10 bestaat, niet kloppen. Eiser stelt dat hij over de periode 9 oktober tot en met 5 november 2023 naast zijn bijstandsuitkering geen € 275,42 maar € 125, - aan netto inkomsten heeft ontvangen. Over de periode 6 november tot en met 3 december 2023 had hij geen € 1.887,76 maar € 1.804,54 aan netto inkomsten naast zijn bijstandsuitkering. Verder heeft hij over de periode
1 november tot en met 30 november geen € 334,99 aan bijstand ontvangen, maar een bedrag van € 216,24. Tot slot heeft eiser over de periode 4 december tot en met 31 december 2023 naast zijn uitkering geen € 1.721,87, zoals verweerder stelt, maar € 1.690,58 aan netto inkomsten ontvangen.
4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van de inkomstengegevens van eiser zoals die in Suwinet geregistreerd staan, mag worden uitgegaan. Verweerder heeft echter geen stukken van Suwinet overgelegd waaruit de inkomstengegevens van eiser blijken. Verweerder heeft enkel een eigen rapportage van 25 januari 2024 overgelegd, die niet is ondertekend en die spreekt over een nabetaling, waarvan verder iedere toelichting of onderbouwing ontbreekt. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder ook erkend dat de rapportage onduidelijk is. Daarnaast heeft eiser loonstroken en bankafschriften overgelegd waaruit blijkt welke inkomsten hij heeft ontvangen in de maanden oktober tot en met december 2023. Deze komen overeen met de door eiser gestelde inkomsten.
4.3. Nu verweerder de inkomstgegevens uit Suwinet niet heeft onderbouwd en de rapportage, die ten grondslag ligt aan de terugvordering, onduidelijk is, is de rechtbank van oordeel dat moet worden uitgegaan van de inkomsten die door eiser zijn onderbouwd met de loonstroken en bankafschriften. Hieruit blijkt dat eiser in de maanden november en december 2023 meer heeft verdiend dan de bijstandsnorm uit waardoor hij over die maanden geen recht had op bijstand. Verweerder heeft over die maanden daarom terecht de bijstandsuitkering herzien en teruggevorderd. Verder blijkt uit de door eiser overgelegde stukken dat eiser in de maand oktober 2023 € 125, - aan inkomsten uit arbeid had. Dit komt overeen met het bedrag aan inkomsten waar verweerder eerder – bij de vaststelling van eisers recht op bijstand over de maand oktober 2023 – ook vanuit is gegaan. Verweerder heeft daarom over de maand oktober ten onrechte de bijstandsuitkering herzien en teruggevorderd.
4.4. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdracht geven een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is om het recht op bijstand vast te stellen, daarbij de eventuele nabetaling die in de rapportage wordt genoemd te betrekken en te beslissen of en tot welk bedrag de bijstand van eiser zal worden teruggevorderd.
4.5. Gelet op het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de Pw is verweerder in beginsel gehouden de bijstandsuitkering over de periode van 1 november tot en met 31 december 2023 te herzien en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw gehouden de ten onrechte betaalde bijstandsuitkering van eiser terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan verweerder evenwel besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw. Zoals de Centrale Raad van Beroep in vier uitspraken van 10 december 2024[1] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van terugvordering af te zien op grond van een dringende reden, zijn gebaseerd op een belangenafweging.
4.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van terugvordering is afgezien. In dit verband dient verweerder bij het nieuw te nemen besluit mee te wegen dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, maar dat eiser wel had moeten begrijpen dat hij te veel bijstandsuitkering ontving in de maanden november en december 2023 aangezien hij in die maanden inkomsten had boven de bijstandsnorm.

Conclusie en gevolgen

5.1. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
5.2. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51, - aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195. - - - ## Voetnoten
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.