Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4725 - Rechtbank Amsterdam - 8 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4725•8 juli 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5990
wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1]
(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en
(gemachtigde: mr. S. Gezer).
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
Procesverloop
- Eiser heeft op 1 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een pgb waarmee hij zorg voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging kan inkopen. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 mei 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Verweerder heeft de moeder van eiser (hierna: mevrouw [naam 2] ) niet geaccepteerd als gewaarborgde hulp. Er is ook geen nieuwe gewaarborgde hulp voorgesteld. Bij het zorgprofiel van eiser is dit echter een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb. Met het besluit van 2 september 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mevrouw [naam 1] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
- Eiser heeft op 1 augustus 2023 en pgb aangevraagd voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging.
- Met een brief van 29 februari 2024 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat mevrouw [naam 2] wordt afgewezen als gewaarborgde hulp. Kort gezegd is zij volgens verweerder niet in staat om de taken die horen bij het zijn van gewaarborgde hulp uit te voeren. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld om een nieuwe gewaarborgde hulp voor 14 maart 2024 voor te dragen.
- Mevrouw [naam 2] heeft naar aanleiding van deze brief een klacht ingediend bij verweerder. Kort gezegd voelde zij zich tijdens het bewust keuze gesprek (bkg) niet serieus genomen door verweerder. Daarnaast heeft mevrouw [naam 2] verweerder om uitstel gevraagd voor het aanleveren van een (nieuwe) gewaarborgde hulp. Verweerder heeft deze termijn verlengd tot 14 april 2024.
- Met een e-mail van 2 april 2024 heeft verweerder mevrouw [naam 2] geïnformeerd over de uitkomst van de klacht.
- Mevrouw [naam 2] heeft op 10 april 2024 bezwaar gemaakt tegen de brief van 29 februari 2024.
- Met het primaire besluit is de aanvraag om een pgb geweigerd. De aanvraag is geweigerd omdat mevrouw [naam 2] niet geaccepteerd kan worden als gewaarborgde hulp. Een gewaarborgde hulp is een van de voorwaarden bij het zorgprofiel van eiser om in aanmerking te komen voor een pgb. Er is geen gebruik gemaakt van het aanbod om een andere gewaarborgde hulp voor te stellen.
- Met een brief van 14 mei 2024 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat het bezwaar van 10 april 2024 mede is gericht tegen het primaire besluit.
- Met een brief van 10 juni 2024 heeft eiser zijn gronden aangevuld. Op 8 juli 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Eiser heeft op 15 juli 2024 aanvullende stukken ingediend.
- Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder staat vast dat mevrouw [naam 2] bij een eerdere verstrekking van een pgb als gewaarborgde hulp niet heeft ingestaan voor nakoming van de daaraan verbonden verplichtingen. Verweerder overweegt dat ondanks excuses en beloftes aan de kant van mevrouw [naam 2] , op basis van artikel 3.3.3, vijfde lid, sub a van de Wlz, bij eerdere niet nakoming van de verplichtingen, geen pgb meer kan worden verleend. Verweerder kan in principe niet van deze weigeringsgrond afwijken. Volgens artikel 5.11, tweede lid, sub 1 van de Regeling langdurige zorg (Rlz) geldt hetzelfde wanneer een vertegenwoordiger eerder niet heeft ingestaan voor nakoming van verplichtingen. Verweerder verwijst verder naar de weekoverzichten die op 15 juli 2024 zijn opgestuurd. Hieruit volgt volgens verweerder dat mevrouw [naam 2] zorg wil declareren die niet Wlz-verzekerd is. Televisiekijken en muziekluisteren behoort niet tot begeleiding individueel. Veel aandacht van vader behoort ook niet tot Wlz-zorg. Verder legt verweerder uit waarom het toezicht in dit geval niet Wlz-verzekerd is. Verweerder concludeert dat er op basis van het weekoverzicht gegronde reden is om aan te nemen dat mevrouw [naam 2] niet in staat is om een onderscheid te maken tussen Wlz-verzekerde zorg en niet Wlz-verzekerde zorg. Mevrouw [naam 2] vindt dat zij recht heeft op een tweede kans. Voor wat betreft het verslag van het bkg en het verloop daarvan kan verweerder zich vinden in het standpunt van mevrouw [naam 2] . Verweerder ziet echter geen reden om nogmaals een bkg aan mevrouw [naam 2] aan te bieden om de redenen die zijn genoemd. Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat het besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het belang van een goede uitvoering en controle van de besteding van pgb-gelden, acht verweerder groter dan het belang van verzekerde om zorg door middel van een pgb te kunnen verkrijgen. De zorg die eiser volgens zijn indicatie behoeft, is ook in zorg in natura (zin) beschikbaar.
Standpunt van eiser
- Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:11 en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen, omdat geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Hij verwijst daarbij naar het verloop van het bkg. Volgens eiser heeft verweerder uit dit gesprek vergaande conclusies getrokken en heeft verweerder geweigerd om tijdens de bezwaarprocedure het bkg opnieuw uit te voeren. Het is volgens eiser van belang dat artikel 5.11 van de Rlz een zogenoemde 'kan-bepaling' is. Dat houdt in dat het bestuursorgaan mag kiezen om wel of geen gebruik te maken van de bevoegdheid om een pgb te weigeren. Verweerder zal altijd een belangenafweging moeten maken. Om elke schijn van willekeur te voorkomen, dient verweerder beleid vast te stellen, waarbij door middel van een vast toetsingskader wordt bepaald in welke gevallen er wel of geen pgb wordt toegekend. Eiser verzoekt in dit kader om alle relevante stukken van verweerder.
Tot slot voert eiser aan dat mevrouw [naam 2] een overzicht heeft toegestuurd van alle momenten dat eiser zorg en/of ondersteuning nodig heeft. Ook hierbij geldt dat niet elke ondersteuning als Wlz-verzekerde zorg bij de Sociale verzekeringsbank zal worden gedeclareerd. Mevrouw [naam 2] heeft enkel willen aangeven welke zorg en ondersteuning eiser nodig heeft. Verder heeft zij altijd zonder op - of aanmerking van de kantonrechter (en tot voor kort verweerder) de financiën van haar zoon geregeld.
Beoordeling door de rechtbank
Regelgeving
- Uit artikel 3.3.3, vijfde lid, onder a, van de Wlz volgt dat het pgb in ieder geval wordt geweigerd indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen.
De uitspraak van de Raad
<footnoteReference id="_b68fd019-bae4-47c6-900b-382c0c9259e8">[1]</footnoteReference>
__van 3 april 2025__
<footnoteReference id="_cdb682c2-9a81-447f-9651-2271b60d2958">[2]</footnoteReference>
- De Raad heeft op 3 april 2025 uitspraak gedaan op het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van 6 juni 2023
[3] van deze rechtbank. De Raad heeft daarin geoordeeld dat eiser niet heeft voldaan aan de aan de pgb-verlening verbonden verplichting om ervoor te zorgen dat een zorgverlener, op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer dan 40 uur per week werkzaamheden voor hem verricht.[4]
- De gemachtigde van eiser heeft op zitting bevestigd dat hij bekend is met deze uitspraak. Volgens hem moet de rechtbank nog steeds haar eigen afweging maken. Eiser kan zich niet voorstellen dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat bij toepassing van 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, het pgb blijvend kan worden geweigerd.
- De rechtbank stelt allereest vast dat verweerder de wettelijke grondslag in het bestreden besluit heeft aangevuld. Of het pgb voor altijd geweigerd moet worden, ligt in deze procedure niet voor. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de aanvraag voor een pgb terecht heeft afgewezen op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, vanwege een schending van een eerder opgelegde verplichting. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend gelet op de uitspraak van de Raad van 3 april 2025 en ziet geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
[5]
- Omdat de in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz neergelegde weigeringsgrond op zichzelf al voldoende is om de aanvraag voor een pgb af te wijzen behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Evenredigheidsbeginsel
- Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt het pgb in ieder geval geweigerd, als bij een eerdere verstrekking van een pgb niet is voldaan aan de opgelegde verplichtingen. Deze bepaling is van dwingendrechtelijke aard. Het staat verweerder dus niet vrij om een belangenafweging te maken. Dit vloeit onder meer voort uit de Memorie van Toelichting bij de Wlz (MvT).
[6] Uit de MvT blijkt dat het ontbreken van een individuele belangenafweging in dit soort zaken een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Dit betekent ook dat de toepassing van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, een bepaling in een wet in formele zin, niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.
- Volgens vaste rechtspraak verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet zich tegen een dergelijke toetsing. Dit neemt niet weg dat uit recente rechtspraak
[7] blijkt dat als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien, de rechter een wettelijke bepaling zoals artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing kan laten. Hiervoor is wel vereist dat de door belanghebbende gestelde bijzondere omstandigheden meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven.[8] Als duidelijk is dat dit niet het geval is dan hoeft niet eerst te worden nagegaan of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle in de afweging van de wetgever zijn verdisconteerd.[9]
- De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin het gezin van eiser zich bevindt. Van omstandigheden zoals genoemd in de voorgaande overweging is in deze zaak echter niet gebleken. Daarbij wijst de rechtbank ook naar haar uitspraak van 18 december 2024
[10] op het beroep van eiser over eveneens de weigering van een pgb op grond van de Wlz.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De Centrale Raad van Beroep.
ECLI:NL:CRVB:2025:621.
ECLI:NL:RBAMS:2023:3597.
Deze verplichting staat in artikel 5.18, aanhef en onder d, van de Rlz.
De rechtbank vindt hiervoor steun in de vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2025:155.
Zie Kamerstuk 33891, vergaderjaar 2013-2014, nr. 3.
Zie de uitspraak van de Raad van 23 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:155.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Zie de uitspraak van de ABRvS van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Zie rechtsoverweging 10, ECLI:NL:RBAMS:2024:8578. - - - ## Voetnoten