Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4657 - Rechtbank Amsterdam - 3 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4657•3 juli 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5440
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (Turkije), eiser
(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en
**de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,**verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van de toeslag[1] op zijn WIA-uitkering[2] per 12 oktober 2024.
Met het primaire besluit van 11 april 2024 heeft verweerder de toeslag op eiser zijn WIA-uitkering per 1 april 2024 beëindigd. Met het bestreden besluit van 16 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de toeslag op eiser zijn WIA-uitkering pas per 12 oktober 2024 beëindigd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2025. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder de gelegenheid gegeven om een nader standpunt in te dienen over de begindatum van de uitlooptermijn. Verweerder heeft met de brief van 1 mei 2025 gereageerd. Eiser heeft op 9 juni 2025 gereageerd. De rechtbank heeft hierna op 19 juni 2025 – zoals ook met partijen op de zitting is afgesproken – het onderzoek gesloten.
De totstandkoming van de besluiten
- Eiser heeft alleen de Turkse nationaliteit. Hij ontvangt sinds 3 september 2009 een WIA-uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Op 8 februari 2012 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een toeslag op zijn WIA-uitkering. Verweerder heeft deze toeslag per 3 april 2012 toegekend. Eiser heeft zich vanaf 22 juli 2015 in Turkije gevestigd. Voordat eiser is vertrokken naar Turkije heeft hij verweerder hiervan op de hoogte gesteld waarna de toeslag op zijn WIA-uitkering jarenlang ongewijzigd is gebleven.
- Verweerder heeft vervolgens de in de inleiding genoemde besluitvorming genomen. Daarbij heeft verweerder de toeslag van eiser op zijn WIA-uitkering per 12 oktober 2024 beëindigd, omdat eiser niet voldoet aan alle voorwaarden om deze toeslag naar Turkije te exporteren. Volgens verweerder is eisers toeslag bij zijn remigratie naar Turkije ten onrechte niet beëindigd. Een van de criteria om een toeslag te mogen exporteren is dat iemand volledig arbeidsongeschikt is. Eiser is echter niet volledig arbeidsongeschikt. Daarom heeft verweerder alsnog de toeslag beëindigd. Verweerder hanteert daarbij een uitlooptermijn van zes maanden en beëindigt de toeslag dan ook niet met terugwerkende kracht.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of het besluit van verweerder tot beëindiging van de toeslag met een uitlooptermijn van zes maanden in rechte standhoudt aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- Op grond van de meest recente rechtspraak is het exporteren van een toeslag naar Turkije slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Dit kan alleen als iemand op de datum van vertrek volledig arbeidsongeschikt is en alleen de Turkse nationaliteit heeft. Eiser was echter op de datum van vertrek gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Verder wordt niet betwist dat hij op dat moment ook een verblijfstitel had. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie
[3] overweegt de rechtbank dat een Turkse onderdaan die in een situatie van tijdelijke arbeidsongeschiktheid verkeert, kon voldoen aan de door de Toeslagenwet gestelde voorwaarde inzake een woonplaats op het grondgebied van Nederland om in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering teneinde een minimuminkomen te verzekeren, net als een burger van de Unie die in die lidstaat verblijft. Als in zo'n geval de toeslag zou worden geëxporteerd naar Turkije zou de Turkse onderdaan gunstiger worden behandeld dan de unieburger, hetgeen strijdig zou zijn met artikel 59 van het Aanvullend Protocol.[4] In het geval van eiser verzet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80[5] , gelezen in samenhang met artikel 59 van het Aanvullend Protocol, zich dus niet tegen een nationale bepaling als artikel 4a van de TW. Verweerder heeft dan ook op grond van artikel 4a van de TW de toeslag van eiser terecht beëindigd, omdat eiser niet meer in Nederland woont.
- Eiser voert aan dat verweerder op grond van het vertrouwensbeginsel zijn toeslag niet heeft mogen beëindigen. Eiser wijst daarbij op zijn brief van 14 april 2015 waaruit blijkt dat hij aan verweerder heeft gevraagd of hij zijn toeslag naar Turkije mocht exporteren. Eiser heeft daarbij toegelicht dat hij hierna ook telefonisch contact heeft gehad met verweerder over het exporteren van zijn toeslag. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder ondubbelzinnig heeft toegezegd dat eiser onder dezelfde omstandigheden altijd recht zou blijven houden op een toeslag. Indien blijkt dat een toeslag ten onrechte is toegekend, staat het verweerder namelijk vrij om deze op een bepaald moment te beëindigen. Daarbij heeft verweerder dat niet met terugwerkende kracht gedaan, maar een uitlooptermijn van zes maanden toegepast. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.
- Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 4a van de TW betreft een wet in formele zin. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staan artikel 11 van de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing van dat artikel aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. In wat eiser heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden af te leiden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Eiser heeft verder ook niet zijn stelling dat sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden met stukken onderbouwd. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt dan ook niet.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden de toeslag van eiser beëindigd. De rechtbank overweegt verder dat verweerder met een uitlooptermijn van zes maanden, zoals opgenomen in het bestreden besluit, voldoende compensatie heeft geboden. De rechtbank ziet geen grond om de overgangsregelingen uit de wijzigingen van de Toeslagenwet analoog toe te passen. Nu in dat geval sprake is van een algemene overgangsregeling vanwege wijziging van een wet en in het geval van eiser beëindiging van een toeslag vanwege een onrechtmatig besluit, is van gelijke gevallen geen sprake. Anderszins ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een ruimere uitlooptermijn.
[6]
- Deze uitlooptermijn had echter wel later moeten starten. Op de zitting heeft de rechtbank verweerder gevraagd om de aanvangsdatum van de uitlooptermijn nader te onderbouwen. Verweerder heeft op 1 mei 2025 de vragen van de rechtbank hierover beantwoord en een gewijzigd standpunt ingenomen. Volgens verweerder blijkt namelijk uit het ter beschikking staande dossier dat eiser het primaire besluit destijds niet (tijdig) heeft ontvangen. Eiser heeft een aantal malen verzocht het besluit opnieuw toe te zenden en vervolgens een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is ondertekend op 14 juni 2024. Gezien vorengaande gaat verweerder ervanuit dat eiser uiterlijk op 14 juni 2024 volledige kennis had van zowel de beëindiging van de toeslag als ook het besluit waarin dit is vastgelegd. Uitgaande van een gewenningsperiode/uitlooptermijn van zes maanden stelt verweerder zich gewijzigd op het standpunt dat de toeslag eerst dient te worden beëindigd per 15 december 2024. Eiser heeft dit gewijzigde standpunt niet betwist. Hiermee rekening houdend, stelt de rechtbank vast dat de toeslag pas per 15 december 2024 had moeten worden beëindigd in plaats van 12 oktober 2024. In zoverre is het beroep van eiser gegrond.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond voor zover verweerder de toeslag van eiser vanaf12 oktober 2024 heeft beëindigd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder de toeslag van eiser heeft beëindigd per 12 oktober 2024. De rechtbank ziet ten behoeve van finale beslechting van het geschil aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder de toeslag beëindigt per 15 december 2024. Dit betekent dat verweerder de toeslag aan eiser van 12 oktober 2024 tot 15 december 2024 dient na te betalen. De rechtbank laat voor het overige het bestreden besluit in stand.
- Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier*.*De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Op grond van de Toeslagenwet (TW).
Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
De Beschikking van het Hof van 15 mei 2019, ECLI:EU:C:2019:408, C-677/17.
Zie onder meer de Beschikking van het Hof van 13 februari 2020, zaak C-258/18 en de Beschikking van het Hof van 15 mei 2019, ECLI:EU:C:2019:408, C-677/17.
Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije.
De rechtbank verwijst daarbij naar onder meer de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1497 en 18 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1688. - - - ## Voetnoten