Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4607 - Rechtbank Amsterdam - 4 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:46074 juli 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6468 T
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
(gemachtigde: mr. E. Kok).
  1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voert aan dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar medische klachten.

Procesverloop

  1. Het Uwv heeft de aanvraag van eiseres voor een WIA-uitkering met het besluit van 25 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de partner van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
  1. Eiseres was laatstelijk werkzaam als kassamedewerkster voor gemiddeld 17,63 uur per week. Op 24 februari 2020 meldde eiseres zich ziek voor dit werk wegens aanvallen van hoofdpijn. Het Uwv heeft vanaf 3 augustus 2020 een Ziektewetuitkering aan eiseres toegekend. Bij formulier van 28 januari 2022 heeft eiseres vervolgens een aanvraag bij het Uwv gedaan voor een WIA-uitkering.
3.1. Met het besluit van 25 april 2023 heeft het Uwv beslist dat eiseres per17 februari 2022 geen recht heeft op WIA-uitkering. Aan dit besluit heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts van 16 maart 2023, met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum, en een rapport van de arbeidsdeskundige van 24 april 2023 ten grondslag gelegd. Het Uwv heeft de arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 8,34%.
3.2. Met het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard onder wijziging van de motivering. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 augustus 2023, met een (nieuwe) FML van dezelfde datum, en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 augustus 2024 ten grondslag gelegd. Het Uwv heeft de arbeidsongeschiktheid van eiseres gewijzigd vastgesteld op 17,27%.
Het oordeel van de rechtbank
  1. Kern van het geschil is of het Uwv terecht heeft bepaald dat eiseres op17 februari 2022 (de datum in geding) voor 17,27% arbeidsongeschikt is.
4.1. De rechtbank overweegt dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. De rechtbank gaat hieronder in op de vraag of de opgestelde medische en arbeidskundige rapportages voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden.
4.2. Eiseres voert aan dat zij meerdere ernstige medische aandoeningen heeft, waar zij veel last van ondervindt. Eiseres kan hierdoor in het dagelijks leven vrijwel niets doen en is afhankelijk van de hulp van haar partner voor de simpelste taken. Eiseres heeft clusterhoofdpijn, BPPD, diabetes, leververvetting, oogklachten, psychische klachten en vastgelopen en gespannen spieren in haar gezicht. Vanwege de clusterhoofdpijn heeft zij meerdere keren per dag aanvallen. Zo'n aanval duurt 20 tot 30 minuten en gedurende die tijd kan eiseres niets. Om de pijn te verlichten en de aanval te stoppen, doet eiseres tijdens een aanval een zuurstofmasker op. Overal waar zij naartoe gaat moet zij daarom een zuurstoffles meenemen. Eiseres voert aan dat zij minstens drie keer per dag, op willekeurige momenten, een aanval van clusterhoofdpijn heeft. Als zij zo'n aanval heeft gehad, moet zij hiervan geruime tijd herstellen. Eiseres voert aan dat vrijwel haar hele dag bestaat uit hoofdpijnaanvallen en het herstellen daarvan. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening gehouden met haar klachten en zijn haar functionele mogelijkheden te positief ingeschat. Met name acht eiseres zichzelf niet 4 uur per dag (aansluitend en op vaste tijden) en 20 uur per week belastbaar. Zij zal zich vaak ziek moeten melden vanwege haar hoofdpijnaanvallen. Het is volgens eiseres vanwege haar klachten onaannemelijk dat een werkgever haar aanneemt.
4.3. De rechtbank begrijpt de laatste stellingen van eiseres als een beroep op artikel 9, onder e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarin staat dat als een betrokkene zodanige kenmerken heeft, dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem in bepaalde arbeid te werk te stellen, die arbeid bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing blijft. Dit kan het geval zijn als de verwachting is dat op de datum in geding sprake is van excessief ziekteverzuim.
4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad)[1] is een structureel verzuimrisico van ongeveer 30% zodanig excessief dat van een werkgever tewerkstelling van een werknemer niet in redelijkheid kan worden verlangd. Bij de vraag of sprake is van excessief ziekteverzuim komt naast omvang en frequentie van dat verzuim, mede betekenis toe aan andere factoren zoals voorspelbaarheid, persoonsgebonden aspecten, vervangingsmogelijkheden en de aard van de functies.
4.5. In het bestreden besluit of de daaraan ten grondslag liggende rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen is hier niet op ingegaan. De gemachtigde van het Uwv heeft er in dit verband op de zitting op gewezen dat de aanvallen van clusterhoofdpijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vooral 's avonds of 's nachts voorkomen. Eiseres betwist dit en voert aan dat de aanvallen gedurende de hele dag plaatsvinden en niet op vaste momenten.
4.6. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft onderbouwd dat de aanvallen van clusterhoofdpijn vooral 's avonds of 's nachts plaatsvinden. Hij heeft dit overgenomen uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts die stelt: "lijkt aanvallen vooral in de avond te hebben. Heeft door de clusterhoofdpijn ook, dat ze niet kan slapen: want dus vooral in de avond/nacht last." Onduidelijk is waarop de primaire verzekeringsarts baseert dat de aanvallen vooral in de avond of nacht 'lijken' voor te komen. De rechtbank leest dit niet terug in het dagverhaal van eiseres of de informatie van de behandelend sector in het dossier en eiseres heeft dit gemotiveerd betwist. Bovendien lijkt deze conclusie in strijd met de constatering van de verzekeringsartsen dat er geen duidelijk uitlokkende factoren voor de aanvallen zijn; deze komen lukraak stellen zij vast. Ook ter zitting hebben eiseres en haar partner uitgebreid toegelicht dat onvoorspelbaar is wanneer de hoofdpijnaanvallen zich zullen voordoen en dat dit op ieder moment van de dag kan zijn. Op dit punt zal het Uwv het bestreden besluit moeten voorzien van een nadere motivering.
4.7. Daarbij zal ook nader moeten worden gemotiveerd waarom volgens het Uwv geen sprake zal zijn van excessief ziekteverzuim op de datum in geding. Uit de medische informatie over eiseres volgt dat zij minstens drie keer per dag een clusterhoofdpijn-aanval heeft. De neuroloog heeft hierover meerdere brieven opgesteld, onder andere op 28 februari 2020 (5 tot 6 aanvallen per dag), 18 augustus 2020 (4 tot 5 aanvallen per dag) en 30 september 2020 (3 tot 4 aanvallen per dag). Uit informatie van de neuroloog van 15 november 2021 volgt dat aanvallen soms de hele dag door gaan. De primaire verzekeringsarts heeft aangenomen dat eiseres van elke aanval moet herstellen/recupereren. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep lijkt hiervan uit te gaan. Hoe lang de recuperatietijd (gemiddeld) is, is door de verzekeringsartsen niet geconcretiseerd. Uitgaande van minstens drie aanvallen van clusterhoofdpijn per dag, van ten minste 20 minuten per aanval met een recuperatietijd van (bijvoorbeeld) 60 minuten, is het te verwachten dat het structureel ziekteverzuim van eiseres als gevolg van de clusterhoofdpijn-aanvallen aan te merken is als zodanig excessief dat van een werkgever tewerkstelling van eiseres niet in redelijkheid kan worden verlangd. Nu eiseres in staat wordt geacht om 4 uur per dag te werken zal hiermee, zelfs indien er tijdens werktijd slechts één aanval optreedt, al gauw 30% van de werktijd gemoeid zijn.
4.8. Hierbij moet nog in aanmerking worden genomen dat de dagelijkse momenten waarop de clusterhoofdpijn-aanvallen zich bij eiseres voordoen onvoorspelbaar zijn, wegens het ontbreken van uitlokkende factoren. Dit betekent dat de clusterhoofdpijn-aanvallen ook buiten werktijd kunnen optreden, maar bemoeilijkt eventuele vervanging van eiseres bij een aanval kort voor of gedurende werktijd. Bovendien dient rekening gehouden te worden met ziekteverzuim door andere oorzaken.[2]
4.9. De rechtbank concludeert dat het Uwv ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9, onder e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Dit zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog moeten doen en daarbij zullen voornoemde feiten en omstandigheden moeten worden betrokken.
4.10. Daarnaast zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader moeten motiveren waarom hij eiseres belastbaar acht om 4 uur per dag (zo nodig aansluitend en op vaste tijden) en 20 uur per week te werken. Dit standpunt lijkt ook in belangrijke mate gebaseerd op de aanname dat de clusterhoofdpijn-aanvallen voornamelijk 's nachts plaatsvinden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, kan die conclusie zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd.
4.11. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

  1. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het Uwv in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het Uwv, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen:
5.1. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
5.2. Het Uwv moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het Uwv gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. In beginsel, ook in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.3. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.[3]
5.4. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank: - draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van 't Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1953. Zie verder bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2307.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7125.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877). - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1953. Zie verder bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2307.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7125.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).