Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4596 - Rechtbank Amsterdam - 3 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4596•3 juli 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/3348
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
(gemachtigde: mr. M. Mulders).
Procesverloop
2.1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 maart 2025 afgewezen. Verweerder kan het hoofdverblijf van verzoeker niet vaststellen. Verzoekeer heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Verzoeker voert aan dat hij door de afwijzing van zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering in een financieel onhoudbare situatie verkeert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een spoedeisend belang bij een beslissing op zijn verzoek, omdat hij door de besluitvorming van verweerder geen bijstand ontvangt.
Overwegingen
- Verzoeker heeft op 27 februari 2025 een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door verzoeker verstrekte gegevens over zijn verblijfplaatsen. Op het formulier "Opgave verblijfslocatie(s) dak - en thuislozen" heeft verzoeker op 2 maart 2025 aangegeven twee dagen op het adres van zijn broertje ( [adres 1] ) te verblijven en de overige vijf dagen op het adres van zijn ouders ( [adres 2] ). Op 17 maart 2025 hebben rapporteurs van verweerder een huisbezoek gebracht aan het broertje en de ouders van verzoeker op bovengenoemde adressen. Het broertje heeft de door verzoeker opgegeven woonsituatie bevestigd aan de rapporteurs en de moeder heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat verzoeker daar nooit is. Vanwege de verklaring van de moeder van verzoeker heeft verweerder het hoofdverblijf van verzoeker niet kunnen vaststellen. Verzoeker had immers aangegeven vijf nachten bij zijn ouders te verblijven. Verweerder heeft daarom de aanvraag voor een bijstandsuitkering afgewezen.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de huisbezoeken bij het broertje en de moeder van verzoeker zorgvuldig zijn verlopen. Verzoeker voert aan dat het onderzoek door verweerder, nadat hij contact had opgenomen met zijn klantbegeleider, onvoldoende en onzorgvuldig is geweest. Verzoeker licht dit als volgt toe. De moeder van verzoeker beheerst de Nederlandse taal niet en dacht te maken te hebben met bezoek van de politie (die in het verleden vaak voor verzoeker aan de deur is geweest en welk bezoek heeft gezorgd voor grote angst voor de politie tot op de dag vandaag). Daarop heeft zij vanuit de (onjuiste) gedachte verzoeker te beschermen - verklaard dat verzoeker nooit bij haar op het opgegeven adres verblijft. Verzoeker heeft daarom direct na de huisbezoeken op maandagochtend 17 maart 2025 gemaild, gebeld en geappt met de klantbegeleider van verweerder en het misverstand uitgelegd. Verweerder had naar aanleiding hiervan in het kader van zorgvuldigheid nader onderzoek moeten verrichten en had niet direct tot afwijzing mogen overgaan.
- Verweerder heeft naar aanleiding van de mail, het telefoongesprek en de appjes van verzoeker na de huisbezoeken, intern navraag gedaan bij de rapporteur die het huisbezoek bij de moeder van verzoeker heeft verricht. De rapporteur heeft hierbij verklaard niet het idee te hebben gehad dat de ouders van verzoeker het doel van het huisbezoek niet hebben begrepen. De rapporteur heeft meerdere malen, duidelijk uit weten te leggen wat zij kwam doen. Er is volgens haar meerdere malen door de ouders verklaard dat verzoeker niet op het adres verblijft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder hiermee voldoende en zorgvuldig onderzoek gedaan. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaring van de rapporteur. Bij deze stand van zaken maakt het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen.
- Voor wat betreft het standpunt van verzoeker dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat verzoeker niet eerst in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, verwijst de voorzieningenrechter naar artikel 4:12 van de Awb waaruit blijkt dat verweerder in dit geval van verzoeker een zienswijze achterwege kan laten.
Conclusie en gevolgen
- Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: