Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4478 - Rechtbank Amsterdam - 19 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:447819 juni 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1658
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
(gemachtigde: mr. V. Juriens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit Amsterdam ( [derde-partij] ) (gemachtigde: mr. E.S. Lambooij).
  1. Deze uitspraak gaat over een informatieverzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) waarin eiser heeft verzocht om alle informatie omtrent [derde-partij] over de periode 2014-2019. De Korpschef heeft met het bestreden besluit 931 documenten openbaar gemaakt. Eiser is het niet eens met de door de Korpschef gebruikte uitzonderingsgronden. Daarnaast is hij van mening dat zijn hoorrecht is geschonden en dat de Korpschef de informatie die ouder is dan vijf jaar gewoon openbaar kan maken.

Procesverloop

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van de Korpschef op zijn verzoek van 30 augustus 2019 om documenten openbaar te maken.
2.1. De Korpschef heeft deze aanvraag met het besluit van 10 oktober 2019 geheel afgewezen omdat de Wob[1] als algemene openbaarmakingsregeling dient af te wijken van artikel 68 van de Grondwet als bijzondere openbaarheidsregeling. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
2.2. Bij brief van 16 december 2019 heeft de Korpschef de behandeling van het bezwaar opgeschort tot na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waarin eiser rechtstreeks was betrokken.[2]
2.3. Op 25 februari 2020 heeft eiser voor het eerst beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift.[3] Eiser heeft de Korpschef in deze procedure meermaals in gebreke gesteld om een beslissing op zijn bezwaarschift te krijgen.[4] Deze rechtbank heeft op 7 juli 2021 en 17 maart 2022 de beroepen gegrond verklaard en de Korpschef op straffe van een dwangsom opgedragen om binnen twee weken na verzending van die uitspraken een besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraken.
2.4. Met een besluit van 2 mei 2022 heeft de Korpschef het primaire besluit ingetrokken. Bij besluit van 4 mei 2022 heeft de Korpschef het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Met een brief van 4 mei 2022 heeft de Korpschef eiser verzocht - gezien de brede formulering van het verzoek en de daarmee gepaarde omvang – het verzoek in te perken of nader te duiden. Eiser heeft aangegeven het verzoek volledig te handhaven. Bij besluit van 24 mei 2022 heeft de Korpschef vervolgens beslist het verzoek niet in behandeling te nemen.
2.5. Op 7 februari 2023 is onderhavige zaak vervolgens op zitting behandeld.[5] Na overleg is bij brief van 18 april 2023 bevestigd dat het verzoek gefaseerd zal worden afgedaan en is overgegaan tot de eerste deelverstrekking. Op 20 april 2023 heeft eiser vervolgens nogmaals een beroep niet tijdig ingediend bij deze rechtbank, wat uiteindelijk is ingetrokken omdat al was aangevangen met de eerste deelverstrekking.[6] De tweede deelverstrekking heeft vervolgens plaatsgevonden op 22 juni 2023.
2.6. Op 13 juli 2023 is de Korpschef op de hoogte gesteld dat deze rechtbank een vierde beroep niet tijdig beslissen had ontvangen van eiser. Op deze datum is eiser ook in kennis gesteld dat de derde deelverstrekking zal plaatsvinden. De derde deelverstrekking is op 29 augustus 2023 toegestuurd.
2.7. Op 30 januari 2024 heeft de Korpschef vervolgens een herziene beslissing op bezwaar genomen.
2.8. De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De Korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Juriens en [de persoon] (inhoudsdeskundige). [derde-partij] heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde.

Wat aan deze procedure voorafging

  1. Op 30 augustus 2019 heeft eiser op grond van de Wob een verzoek gedaan om openbaarmaking van documenten met betrekking tot correspondentie, rapporten, evaluaties, contacten, contracten (of vergelijkbare zaken) met [derde-partij] (of vergelijkbare namen). In het verzoek staat dat daarbij kan worden gedacht aan onder meer opdrachten, keuringsrapporten, lijsten, databestanden en andere documenten.
3.1. Omdat op 1 mei 2022 de Woo in werking is getreden en omdat deze wet onmiddellijke werking heeft, heeft de Korpschef de beslissing genomen met toepassing van de Woo.
3.2. De Korpschef heeft voor dit verzoek in haar herziene besluit van 30 januari 2024 in totaal 931 documenten beoordeeld (in totaal 1659 pagina's) en deze geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt. Aangezien eiser zijn Woo-verzoek niet heeft gespecificeerd naar een bepaalde periode, heeft de Korpschef aan eiser alle documenten in de periode 2014 (start gebruik systeem [derde-partij] ) – 30 augustus 2019 (de datum van het Wob-verzoek) doen toekomen. Eiser is het met het herziene besluit op bezwaar niet eens en heeft op 13 maart 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank. De Korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt of de Korpschef op de juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  1. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser (nogmaals) laten weten dat de nadruk wat eiser betreft niet zo zeer ligt op de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. De rechtbank zal verder dan ook niet op deze weigeringsgrond ingaan, maar geeft daarbij wel mee dat bij bestudering van de geheime stukken geen dingen opvielen voor wat betreft de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo.
  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van ongelakte stukken. Zij heeft deze steekproefsgewijs beoordeeld, zoals ook ter zitting is besproken. De rechtbank zal zoveel mogelijk per ordner, weigeringsgrond en per paginanummer bespreken wat haar oordeel is om het zo voor partijen zo overzichtelijk mogelijk te houden.
6.1. De rechtbank heeft ervoor gekozen om de paginanummers zoals deze volgen uit de inventarislijst (bijlage 2) te gebruiken in plaats van de documentnummers, aangezien de documentnummering in de eerste ordner niet klopt. Het eerste document 'start' met nummering 0041 i.p.v. 001. Door in de zoekbalk op het paginanummer te zoeken en dit te checken met de naam van het document is het de rechtbank toch gelukt om alle documenten te vinden en te beoordelen. De overige ordners klopten wel.
Horen in bezwaarfase
  1. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de Korpschef heeft nagelaten eiser te horen in bezwaar.
7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen van een belanghebbende in bezwaar worden afgezien indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Deze situatie is hier aan de orde. Op 27 januari 2023 is door deze rechtbank de zaak AMS 22/2892 op zitting behandeld. In de uitspraak van deze zaak is beslist dat de Korpschef inhoudelijk moest beslissen op eiser zijn Woo-verzoek van 30 augustus 2019. De Korpschef heeft naar aanleiding van de uitspraak met de herziene beslissing op bezwaar van 30 januari 2024 uitwerking gegeven aan deze uitspraak. Er was voor de Korpschef naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak om eiser te horen aangezien eiser tijdens de zitting in de procedure AMS 22/2892 alles heeft kunnen zeggen en toelichten wat hij wilde en de uitkomst zou hoe dan ook hetzelfde zijn, namelijk de herziene beslissing op bezwaar van 30 januari 2024.
Opsporing/vervolging strafbare feiten (code 7)
  1. De Korpschef heeft op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder c, van de Woo (code 7) documenten geweigerd. Voordat de rechtbank de documenten zal bespreken, wil zij eerst aanhalen dat de door eiser aangehaalde vraag of het gebruik van deze software legitiem is hier niet ter zake doet en dat hij op die vraag vanuit dit Woo-verzoek geen antwoord zal vinden. Dat is namelijk niet wat de rechtbank in onderhavige procedure moet of kan beoordelen.
  1. De rechtbank volgt de Korpschef in zijn standpunt dat digitaal rechercheren een onderdeel is van de uitvoering van de politietaak en dat met die bril naar deze weigeringsgrond moet worden gekeken. Het standpunt van eiser dat openbaarmaking van dergelijke gegevens uit bijvoorbeeld 2017, door het tijdsverloop nu niet langer schadelijk zou kunnen zijn voor het actuele belang van opsporing en vervolging, volgt de rechtbank niet. De politie hanteert dit systeem anno 2025 nog steeds voor het uitvoeren van de politietaak. Dit betekent dat er nog steeds een actueel belang is bij het (deels) niet openbaren van gegevens die zien op deze uitzonderingsgrond.
9.1. In ordner 1 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgrond kennisgenomen: 2 t/m 8, 147, 168, 178, 187, 196, 222, 291, 379, 391, 454, 460, 603 en 639. Voor paginanummers 178, 187, 291 en 454 geldt dat de rechtbank graag een nadere onderbouwing zou zien waarom deze documenten en/of delen van deze documenten zien op opsporing en vervolging. Zij ziet niet waarom deze documenten onder deze weigeringsgrond moeten vallen. De overige genoemde pagina's zijn wat de rechtbank betreft akkoord bevonden. Voor pagina 454 merkt de rechtbank op dat alhoewel zij een nadere toelichting noodzakelijk vindt, het document verder niet openbaar hoeft te worden gemaakt nu dit documentdeel qua inhoud nietszeggend is.
9.2. In ordner 2 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgrond kennisgenomen: 29, 58, 150, 409, 810, 811, 815, 841, 852, 865, 867, 878, 959, 991, 1110 en 1116. Deze pagina's zijn wat deze weigeringsgrond betreft akkoord bevonden.
9.3. In ordner 3 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgrond kennisgenomen: 4, 69, 180, 248, 254, 343, 371, 413, 468, 558, 718, 909, 1092, 1498 en 1625. Voor pagina 69 geldt dat de weigering van dit document op zich akkoord is. Voor één zin op deze pagina begrijpt de rechtbank niet waarom deze is geweigerd op basis van deze weigeringsgrond, maar aangezien openbaarmaking van de inhoud van die zin naar het oordeel van de rechtbank geen relevante informatie oplevert zal de rechtbank hiertoe niet overgaan. De Korpschef heeft deze weigeringsgrond naar het oordeel van de rechtbank grotendeels terecht en juist toegepast, en voor een beperkt deel dient de weigering alsnog te worden voorzien van een adequate onderbouwing. Deze beroepsgrond slaagt aldus deels.
Bedrijfs - en fabricagegegevens (code 3 en 10)
  1. De Korpschef heeft op grond van artikelen 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo (code 3) en 5.1, tweede lid, onder f van de Woo (code 10) documenten geweigerd. Aangezien deze weigeringsgronden altijd samen zijn toegepast, heeft de rechtbank deze ook samen bekeken en beoordeeld. Daarbij wil zij opmerken dat het standpunt van eiser, dat deze weigeringsgronden niet naast elkaar gebruikt kunnen worden, niet slaagt. In het onderhavige geval mag dit wel, nu zowel de Korpschef als [derde-partij] naar het oordeel van de rechtbank beide voldoende hebben toegelicht en uiteen hebben gezet dat in de weggelakte stukken sprake is van informatie die ziet op bedrijfs-/fabricagegegevens en tegelijkertijd ook concurrentiegevoelige informatie is. In het maken van deze afweging heeft de rechtbank ook meegewogen dat de politie anno 2025 nog steeds een overeenkomst heeft met [derde-partij] en dat het gaat om een zeer klein specialistisch marktsegment.
10.1. In ordner 1 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgronden kennisgenomen: 172, 188, 197 (staat op 198), 238, 307, 446, 461 en 609. De rechtbank heeft deze allemaal akkoord bevonden.
10.2. In ordner 2 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgronden kennisgenomen: 11, 16, 23, 37, 112 (staat op 113), 134, 179, 375, 716, 858. Voor wat betreft pagina 16, "effectivevanaf (…)" is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom deze datum onder de hierboven genoemde uitzonderingsgronden valt. De rest van deze pagina is wel akkoord op bovengenoemde weigeringsgronden. Voor wat betreft pagina 134, merkt de rechtbank op dat bij de toetsing op code 3 en 10 op enkele pagina's losse woorden of een enkele losse zin staan met deze weigeringsgronden. De rechtbank vraagt zich af of dit nu echt essentiële bedrijfs - en of fabricage informatie betreft die beschermd moet worden. Enkel het gebruik van de term die daar is weggelakt maakt niet per definitie dat er sprake is van bedrijfsgevoelige informatie. De rechtbank passeert dit gebrek echter wel, omdat het enkele woord of de enkele zin waar dit in staat voor eiser geen relevante informatie kan opleveren in het kader van dit Woo-verzoek. Dit geldt ook voor hetgeen is opgemerkt over pagina 16. Voor pagina 179 en 858 wil de rechtbank nog opmerken dat deze terecht zijn gelakt en alles wat hier niet onder de weigeringsgronden valt, ook door de Korpschef openbaar is gemaakt.
10.3. In ordner 3 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgronden kennisgenomen: 336, 341, 1447, 1622 en 1623. Deze zijn allemaal akkoord bevonden. De Korpschef heeft deze weigeringsgronden terecht en juist toegepast. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Economische en financiële belangen politie (code 6)
  1. De Korpschef heeft op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo (code 6) documenten geweigerd. Het Woo-verzoek omvat een periode (2014-2019) in het verleden. De rechtbank is het met de Korpschef eens, dat alhoewel de informatie op het eerste oog mogelijk niet meer actueel lijkt, dit niet automatisch betekent dat deze openbaar gemaakt moet worden. Hierbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat er op dit moment - anno 2025 - nog een lopende overeenkomst is met [derde-partij] . Er is hier dus sprake van een andere situatie dan in de bij eiser welbekende zaak AMS 20/2418. Juist door dit verschil valt de informatie die is geweigerd op basis van weigeringsgrond 6 naar het oordeel van de rechtbank in zoverre wel als "actueel" aan te merken en mag de Korpschef deze informatie op grond van deze weigeringsgrond weigeren. Voor wat betreft het standpunt van eiser dat de politie de afgelopen jaren extra geld heeft gekregen voor opsporing en dat het van groot belang is om te controleren hoe de politie omgaat met verkregen schaarse publieke middelen, gaat de rechtbank hier niet in mee. Ten slotte wijst de rechtbank op de belangenafweging die zij in rechtsoverweging 9 al heeft gemaakt, die ook bij deze weigeringsgrond een rol speelt.
11.1. In ordner 1 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgronden kennisgenomen: 175, 470, 478, 526, 527 en 533. De rechtbank heeft deze allemaal akkoord bevonden. De rechtbank heeft verder gekeken, maar gezien dat code 6 nooit zelfstandig is gelakt, altijd samen met code 10. De rechtbank neemt aan dat dit in de andere ordners ook zo zal zijn. Gezien wat de rechtbank onder rechtsoverweging 9 en 10 omtrent deze weigeringsgronden heeft overwogen, heeft de Korpschef op juiste gronden code 6 gebruikt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beveiliging personen en voorkomen sabotage (code 11)
  1. De Korpschef heeft op grond van artikelen 5.1, eerste lid, onder h, van de Woo (code 11) documenten geweigerd. Voor wat betreft deze weigering een algemene opmerking: het is de rechtbank opgevallen dat code 11 nooit alleen staat. Code 11 staat overal daar waar de rechtbank een steekproef heeft gedaan op opsporingsbelang (code 7) en ziet veelal op hetzelfde, wat al door weigering op grond van het opsporingsbelang gecoverd is. De notering en het gebruik van code 11 heeft zo naar het oordeel van de rechtbank weinig toegevoegde waarde.
12.1. In ordner 1 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgrond kennisgenomen: 42 en 52. Deze zijn akkoord.
12.2. In ordner 2 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgrond kennisgenomen: 7, 804, 990, 991, 1192. Voor wat betreft pagina 804, merkt de rechtbank op dat deze is gelakt op de codes 10, 11 én 12. Dit volgt de rechtbank niet. Tegelijkertijd ziet zij wel dat dit stuk gelakt had moeten worden op grond van code 3 op grond waarvan het niet openbaar gemaakt hoeft te worden. De rechtbank kan zich voorstellen dat bij het lakken van zoveel documenten (931 in totaal) er in een aantal gevallen op een verkeerde grond wordt gelakt. Daar waar de rechtbank dat heeft geconstateerd, vindt de rechtbank wel dat er terecht is gelakt. De steekproefsgewijze toetsing door de rechtbank geeft geen aanleiding om alle documenten te bekijken, omdat daar waar de verkeerde weigeringsgrond neergezet is, wel terecht gelakt is. Die trend ziet de rechtbank ook in het steekproefsgewijs bekijken. Een ander voorbeeld daarvan is pagina 990, 991 en 1192 waar terecht is gelakt op code 7, maar waar de rechtbank niet inziet waarom deze stukken ook gelakt moesten worden op code 11. Naar het oordeel van de rechtbank was dit dan ook niet noodzakelijk. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Driedubbel lakken
  1. In het algemeen valt het de rechtbank op dat heel veel stukken driedubbel zijn gelakt. Iets wat in veel gevallen absoluut niet noodzakelijk was. Als een stuk al geweigerd wordt op grond a, dan is grond b niet per definitie noodzakelijk om dit resultaat nogmaals te bereiken. Laat staan grond c. Dit ziet wat de rechtbank betreft met name op het gebruik van code 11, maar evenwel voor code 12 (goed functioneren van de politie).[7] Dit is ook de reden dat de rechtbank voor wat betreft code 11 ordner 3 niet meer specifiek heeft nagelopen. Aangezien code 12, net zoals code 11, nooit individueel wordt gebruikt, maar als niet altijd noodzakelijke achtervang, heeft de rechtbank code 12 ook niet zelfstandig nogmaals bekeken.
13.1. Echter, gezien de rechtbank in rechtsoverweging 12.2 heeft vastgesteld dat alhoewel sommige documenten een verkeerde weigeringsgrond hebben, ze wel terecht gelakt zijn, verbindt de rechtbank hier geen verdere consequenties aan. Zij wil de Korpschef wel meegeven nogmaals goed naar (met name) deze twee weigeringsgronden te kijken en te beoordelen of het gebruik van specifiek deze twee weigeringsgronden echt noodzakelijk is. Daarbij acht zij van belang dat de Korpschef voor code 12 in de gaten houdt dat deze weigeringsgrond absoluut niet bedoeld is om eventuele misstappen van de politie te verhullen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Buiten reikwijdte verzoek
  1. De Korpschef heeft ook een aantal documenten geweigerd, nu deze niet onder de reikwijdte van het verzoek zouden vallen. Volgens eiser is dit geen weigeringsgrond en met verwijzing naar artikel 4.1, zevende lid, van de Woo had de Korpschef deze documenten dan ook niet mogen weigeren.
  1. Met verwijzing naar artikel 4.1, vierde lid, van de Woo merkt de rechtbank op dat het aan eiser is om zijn Woo-verzoek te specificeren en dat hij dus in zoverre zelf de reikwijdte bepaalt. Wat de Korpschef heeft gedaan is dus niet fout, maar de juiste toepassing van de Woo. Eiser heeft immers niet om die specifieke documenten verzocht en dus vallen ze niet onder dit verzoek en hoeven deze niet aan eiser verstrekt te worden.[8] De term "buiten reikwijdte" is inderdaad geen weigeringsgrond zoals deze volgt uit artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo, maar de Korpschef heeft het ook niet als zodanig aangemerkt. Het is daarentegen weldegelijk een noodzakelijk te maken onderscheid. De rechtbank heeft deze uitzonderingsgrond bij de stukken die zij op de andere weigeringsgronden heeft gecontroleerd nagelopen. Zij is akkoord met de onderbouwing en de niet-verstrekking van deze documenten.
Onevenredige benadeling (code 13)
  1. Eiser stelt zich wat betreft artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo op het standpunt dat hetgeen hierover in de motivering is opgenomen niet realistisch is en dat de Korpschef deze weigeringsgrond slechts in uitzonderlijke gevallen mag toepassen. Eiser heeft ernstige twijfels over de terughoudendheid waarmee de Korpschef deze uitzonderingsgrond heeft toegepast en volgens eiser is de mogelijkheid tot informatie lekken gezien het tijdsverloop (een periode van nu 10 jaar) nihil. Duidelijk is dat deze weigeringsgrond is bedoeld voor onvoorziene gevallen waar openbaarmaking van informatie onwenselijk wordt geacht, maar die niet onder één van de andere uitzonderingsgronden van artikel 5.1 van de Woo valt.
16.1. Het standpunt van eiser, dat hij twijfels heeft over de terughoudendheid waarmee deze weigeringsgrond is toegepast, volgt de rechtbank niet. Van de 931 documenten die dit Woo-verzoek omvat, heeft de Korpschef in ongeveer 20 van deze documenten ook code 13 gebruikt. Dat is weinig. Daarnaast begrijpt de rechtbank de overwegingen van de Korpschef om deze gegevens op deze wijze te weigeren. Zij ziet net als de Korpschef de risico's die openbaarmaking van deze informatie mogelijk zouden kunnen hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Korpschef het gebruik van deze weigeringsgrond ook voldoende onderbouwd. De rechtbank heeft deze weigeringsgrond nagelopen bij de eerder door haar bekeken paginanummers en geconcludeerd dat weigering op deze wijze en grond akkoord is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Persoonlijke beleidsopvattingen (code 14)
  1. De Korpschef heeft op grond van artikel 5.2, eerste en tweede lid, van de Woo documenten geweigerd, nu deze persoonlijke beleidsopvattingen zouden bevatten, zijn opgesteld met het oog op interne beraadslaging en zijn vervat in documenten die enkel bestemd waren om binnen de politie gebruikt te worden. Eiser stelt zich wat betreft deze weigeringsgrond op het standpunt dat alleen de ambtenaren die opvattingen hebben geuit beschermd moeten worden, maar dat de opvattingen zelf openbaar gemaakt dienen te worden. Deze lezing van artikel 5.2 van de Woo volgt de rechtbank niet. De Korpschef mag met verwijzing naar intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen passages en/of documenten weigeren. Eiser wijst echter in dit verband terecht ook op het tijdsverloop van de informatie. Een deel van de informatie is meer dan vijf jaar oud, waardoor de Korpschef een verzwaarde motiveringsplicht heeft.[9] De rechtbank zal met deze bril op naar de toepassing van deze weigeringsgrond kijken.
17.1. In ordner 1 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgrond kennisgenomen: 43, 147, 170, 187, 188, 259, 331 en 613. Het stuk 43 is akkoord, ook na 10 jaar hoeft dit niet openbaar te worden gemaakt. Dit is echter anders voor de pagina's 147, 170, 187, 188, 259, 331 en 613. De rechtbank mist in al deze stukken een nadere toelichting waarom dit persoonlijke beleidsopvattingen omvat. Zij ziet adviezen, die in veel voorkomende gevallen standaardadviezen lijken. Als dan vervolgens wordt gekeken naar het tijdsverloop, is het naar het oordeel van de rechtbank niet uit te leggen waarom dit op code 14 (mede)geweigerd is. Voor de stukken 170, 187, 188, 259, 331 geldt daarnaast dat weigering van deze stukken op code 10 en/of 12 akkoord is, maar 14 niet. De connectie met het tijdsverloop lijkt verloren te zijn gegaan. Voor pagina 613, merkt de rechtbank op dat zij tot twee keer toe een vaststelling van een feit terugleest. Deze pagina weigeren op grond van code 14 is dan ook onjuist. 613 is daarnaast geweigerd op grond van code 12, dit volgt de rechtbank ook niet. Dit stuk moet de Korpschef (voor zover het stuk niet gelakt is op grond van code 9, persoonlijke levenssfeer) dan ook openbaar maken.
17.2. In ordner 2 heeft de rechtbank van de volgende paginanummers met deze weigeringsgrond kennisgenomen: 1, 6, 8, 35, 62, 74, 75, 88, 94. Voor 6, 8, 35, 62 geldt dat deze terecht door de Korpschef op zowel code 14 als hun andere weigeringsgrond(en) zijn geweigerd. Voor pagina 1 geldt dat de rechtbank van oordeel is dat die pagina veel meer over concurrentiegevoelige informatie gaat, die logischerwijs beter op grond van code 10 geweigerd had kunnen worden. Mede gezien het tijdsverloop zijn code 14 en 12 niet akkoord. Pagina 74 is een vaststelling van een feit en geen persoonlijke beleidsopvatting, waardoor weigering op grond van 14 niet mogelijk is. De rechtbank ziet ook niet in waarom dit stuk geweigerd is op grond van code 12. De Korpschef moet dit stuk openbaar maken. Ditzelfde gaat op voor pagina 75. Voor pagina 88 geldt, mede gelet op het tijdsverloop en het feit dat het document naar het oordeel van de rechtbank geen meningen of beleidsopvattingen bevat dat de Korpschef onvoldoende heeft toegelicht waarom dit stuk op grond van code 14 dan wel 12 geweigerd moet worden. Het stuk lijkt een mogelijke misstand te verhullen. Iets waar de Woo duidelijk niet voor bedoeld is. Echter of het om een misstand gaat is de rechtbank niet duidelijk, nu zij geen nadere toelichting heeft. Ditzelfde geldt voor pagina 94. De rechtbank vraagt voor deze stukken een nadere toelichting.
17.3. Na kennisneming van de bovengenoemde geheime stukken komt de rechtbank tot de conclusie dat deze beroepsgrond van eiser slaagt. De Korpschef heeft deze weigeringsgrond in teveel gevallen van de steekproef onjuist toegepast en onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal het bestreden besluit op deze grond vernietigen en draagt de Korpschef op om in alle documenten de weigeringen op code 14 na te lopen en per document te kijken of er echt sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen en/of intern beraad en geen sprake van bijvoorbeeld vragen, de vaststelling van feitelijkheden en/of feitencomplexen en standaardadviezen of iets dergelijks. Zij draagt de Korpschef ook op indien documenten op grond van code 14 geweigerd moeten worden dit uitgebreider te onderbouwen, daarbij ook te kijken naar het tijdsverloop en inzichtelijker te beschrijven
welke belangen met openbaarmaking zouden worden geschaad.
Overschrijding redelijke termijn.
  1. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM.[10] Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend op 18 november 2019. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, had in deze procedure dus uiterlijk op 18 november 2021 uitspraak moeten worden gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 19 juni 2025. Dit levert een termijnoverschrijding van 3 jaar en 8 maanden op. Uitgaande van een schadebedrag van € 500, - per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank aan eiser een schadevergoeding van € 4.000, - toekennen.
18.1. De bezwaarfase heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift meer dan een half jaar geduurd. De beroepsfase heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift nog geen anderhalf jaar geduurd. De termijnoverschrijding zal dus volledig worden toegerekend aan de bezwaarfase. Hieruit volgt dat de Korpschef € 4.000, - dient te vergoeden aan eiser. De rechtbank merkt daarbij op dat de rechtbank de Korpschef adviseert om naar de toekomst toe niet eerst een jarenlange formele juridische strijd te voeren, maar eerder stukken die vallen onder de reikwijdte, al dan niet (deels) geweigerd, ter toetsing voor te leggen. Dat scheelt een hoop publiek geld als proceskosten, dwangsommen, schadevergoedingen en personeelskosten. Publiek geld dat juist de politie ook goed kan gebruiken voor de belangrijke taken die de politie dient uit te voeren. De Korpschef doet er goed aan om op basis van de jurisprudentie er voldoende op te vertrouwen dat rechters voldoende oog hebben voor zaken als bescherming van opsporingsbelangen en bedrijfsgegevens.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit voor hetgeen wat is besloten in rechtsoverwegingen 9-9.3 en 17-17.3 vernietigen. Voor het overige laat de rechtbank het bestreden besluit en de rechtsgevolgen in stand. Het is aan de Korpschef om de stukken nader te beoordelen en te motiveren, waarin de Korpschef het bovenstaande in ogenschouw dient te nemen.
19.1. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat de Korpschef een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de Korpschef hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn gaat lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
19.2. Omdat het beroep gegrond is moet de Korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De Korpschef moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
19.3. Als een verzoek om schadevergoeding zoals hier aan de orde wordt toegewezen, dan moet in principe ook een veroordeling in de daarvoor gemaakte proceskosten plaatsvinden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€ 226,75, - (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 907, - en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank acht een wegingsfactor van 0,25 in dit geval passend, omdat de proceskostenvergoeding slechts wordt toegekend voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De werklast die hiermee gepaard gaat voor de gemachtigde acht de rechtbank dusdanig gering dat dit een wegingsfactor 0,25 rechtvaardigt. De Korpschef moet deze proceskosten betalen.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de weigeringsgronden opsporing/vervolging strafbare feiten en persoonlijke beleidsopvattingen; - laat voor het overige het bestreden besluit en de rechtsgevolgen in stand; - bepaalt dat de Korpschef een nieuw besluit moet nemen voor zover het gaat over de weigeringsgronden opsporing/vervolging strafbare feiten en persoonlijke beleidsopvattingen; - bepaalt dat de Korpschef het griffierecht van € 187, - aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de Korpschef tot het betalen van € 4.000, - aan schadevergoeding aan eiser; - veroordeelt de Korpschef tot betaling van € 2.040,75 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2025.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet openbaarheid van bestuur, de wetsvoorganger van de Woo.
ECLI:NL:RVS:2019:911.
AMS 21/2829.
AMS 21/6276 & AMS 21/6277.
AMS 22/2892.
AMS 23/2243.
Artikel 5.1., tweede lid, onder i, van de Woo.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:616.
Zie artikel 5.3 van de Woo.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. - - - ## Voetnoten
Wet openbaarheid van bestuur, de wetsvoorganger van de Woo.
ECLI:NL:RVS:2019:911.
AMS 21/2829.
AMS 21/6276 & AMS 21/6277.
AMS 22/2892.
AMS 23/2243.
Artikel 5.1., tweede lid, onder i, van de Woo.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:616.
Zie artikel 5.3 van de Woo.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.