Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4468 - Rechtbank Amsterdam - 12 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:446812 juni 2025

Uitspraak inhoud

vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/730022-18
Datum uitspraak: 12 juni 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1948,
wonende op het adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 maart 2025 en 12 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van de Vliet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Akkas, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst, waarin door hen gemaakte procesafspraken zijn neergelegd

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1
Primair
medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van in totaal 24,35 kilogram heroïne en 1,75 kilogram cocaïne in de periode van 16 januari 2018 tot en met 21 maart 2018, door verborgen ruimtes in voertuigen aan te brengen;
Subsidiair
medeplichtigheid aan het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van in totaal 24,35 kilogram heroïne en 1,75 kilogram cocaïne in de periode van 16 januari 2018 tot en met 21 maart 2018, door verborgen ruimtes in voertuigen aan te brengen;
Feit 2
het opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid van 4,8 kilogram heroïne op 8 juni 2018 te Wijdewormer;
Feit 3
Primair
medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van in totaal 15,3 kilogram hennep in de periode van 8 februari 2018 tot en met 23 mei 2018, door verborgen ruimtes in voertuigen aan te brengen;
Subsidiair
medeplichtigheid aan het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van in totaal 15,3 kilogram hennep in de periode van 8 februari 2018 tot en met 23 mei 2018, door verborgen ruimtes in voertuigen aan te brengen;
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de procesafspraken op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen kan worden. Ten aanzien van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie overeenkomstig de procesafspraken vrijspraak gevorderd.
3.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, eveneens overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweer gevoerd.
3.3. Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 en feit 3
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde, nu zijn betrokkenheid bij deze feiten onvoldoende kan worden bewezen.
Feit 2 (vervoeren 4,8 kilogram heroïne)
Naar aanleiding van een APNR-melding wordt de Opel Combo op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] – met daarin verdachte [verdachte] als bijrijder – geobserveerd. Uit de observatie volgt onder meer dat verdachte een donkerkleurige tas krijgt uitgereikt vanuit een passerende Audi. Bij een latere controle van de Opel Combo blijkt dezelfde donkerkleurige tas achter de bestuurdersstoel te liggen, met daarin tien pakketten. Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat deze pakketten een hoeveelheid van 4,81 kilogram aan heroïne bevatten.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte wetenschap heeft gehad van de inhoud van de tas, nu uit de observatie volgt dat hij deze tas zelf heeft aangenomen en de tas in het zicht in de auto lag. Ook heeft verdachte beschikkingsmacht gehad over de tas en de inhoud daarvan, nu deze tas midden in de auto lag en daarmee voor alle inzittenden toegankelijk was. Door de tas gezamenlijk in de auto te vervoeren, heeft verdachte dit feit tezamen en in vereniging met zijn mededader gepleegd.
De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging aanwezig hebben en vervoeren van een hoeveelheid van ongeveer 4,8 kilogram heroïne.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
Feit 2
op 8 juni 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad 10 pakketten van in totaal ongeveer 4,8 kilogram heroïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Voor zover in de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Procesafspraken

8.1. Totstandkoming procesafspraken
De rechtbank heeft op de zitting van 28 maart 2025 de partijen in overweging gegeven om met elkaar in gesprek te gaan om te onderzoeken of het mogelijk is om te komen tot
procesafspraken. Op 2 juni 2025 heeft het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt dat de gesprekken over de procesafspraken in een vergevorderd stadium zijn. Op 11 juni 2025 heeft de officier van justitie de getekende overeenkomst houdende procesafspraken aan de rechtbank gemaild. De getekende overeenkomst is alsbijlage aan dit vonnis gehecht en de inhoud geldt als hier ingevoegd.
8.2. Overeengekomen procesafspraken
In de procesafspraken staat onder meer vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging door het maken van de procesafspraken overeenstemming hebben bereikt over de te eisen straf, de behandeling van onderzoekswensen en/of het opvoeren van verweren, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen en de executie van de op te leggen straf.
In de procesafspraken is overeengekomen dat verdachte in het kader van deze overeenkomst:
Het Openbaar Ministerie zal in het kader van deze overeenkomst rekwireren tot een bewezenverklaring van feit 2 en kwalificatie van het feit als hiervoor weergegeven. De officier van justitie zal ter terechtzitting een strafeis van 8 maanden gevangenisstraf en een taakstraf voor de duur van 240 uur vorderen.
8.3. Beoordeling procesafspraken door de rechtbank
De rechter kan alleen acht slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat is voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in een afdoeningsvoorstel de verdachte in de regel afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.[1]
De rechtbank heeft de procesafspraken op de zitting van 12 juni 2025 met de verdachte besproken, terwijl deze werd bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte heeft aangegeven, dat hij door zijn advocaat is voorgelicht over de procesafspraken en dat hij de consequenties hiervan begrijpt en aanvaardt. De reden dat hij heeft ingestemd met de afspraken is dat hij van de zaak af wil, wil weten waar hij aan toe is en door wil gaan met zijn leven. Hij staat achter de gemaakte afspraken en begrijpt dat deze afspraken inhouden dat hij – na aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht – een taakstraf voor de duur van 240 uur zal moeten verrichten.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte – die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een advocaat – vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich, bij de inhoudelijke behandeling, ervan vergewist dat de verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte procesafspraken.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1. De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform de procesafspraken gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een taakstraf van 240 uur.
9.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gewezen op de gemaakte procesafspraken en heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
9.3. Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het vervoeren van een hoeveelheid van 4,8 kilogram aan heroïne. Gelet op de hoeveelheid en de omstandigheden waaronder de heroïne is aangetroffen, kan worden aangenomen dat deze partij was bestemd voor de handel. De handel in harddrugs gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit die een ontwrichtende werking op de samenleving hebben. Ook is de verspreiding van harddrugs een aanzienlijk gevaar voor de volksgezondheid. Door zich in de drugshandel te begeven, heeft verdachte zich kennelijk niet bekommerd om de schade die deze handel in de samenleving aanricht.
Overige relevante omstandigheden
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging gekeken naar het strafblad van verdachte van 24 december 2024 waaruit volgt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, zodat hiermee niet in strafverzwarende zin rekening zal worden gehouden.
Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting, waaruit volgt dat voor het vervoeren van een hoeveelheid van 4,8 kilogram heroïne in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden het uitgangspunt is.
Procesafspraken
Uit de procesafspraken blijkt dat de officier van justitie zonder procesafspraken – en met aftrek van twee maanden wegens de overschrijding van de redelijke termijn en gelet op de leeftijd van verdachte – een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden zou hebben geëist. Vanwege het feit dat er procesafspraken zijn gemaakt wordt een korting op de straf toegepast van zes maanden en komt de officier van justitie daarmee in beginsel tot een eis van twaalf maanden gevangenisstraf. De officier van justitie ziet aanleiding om vier maanden daarvan in de vorm van een taakstraf op te leggen. Dat maakt dat in de procesafspraken een strafeis overeen is gekomen van acht maanden gevangenisstraf en 240 uur taakstraf.
De rechtbank houdt rekening met de procesafspraken en vindt dat het voorstel voor de strafafdoening in redelijke verhouding staat tot de ernst van het feit. Het voorstel dient niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling, maar ook een effectieve afdoening van de zaak – die inmiddels al jaren heeft voortgesleept. Voorts weegt mee dat verdachte afstand zal doen van de onder hem in beslag genomen geldbedragen. Het voorstel doet met dit alles ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De straf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van voorarrest en de taakstraf voor de duur van 240 uur, zoals vastgelegd in de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte, in de gegeven omstandigheden een passende straf is. Deze straf zal dan ook worden opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 2:
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en E.J. Weller, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bos, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juni 2025.
[…]
[…]
    […]
    […]
    […]
[…]
    […]
    […]
    […]
[…]
    […]
[…]
    […]
    […]
Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, NJ 2023/31. - - - ## Voetnoten
Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, NJ 2023/31.