Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4429 - Rechtbank Amsterdam - 26 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:442926 juni 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3310
(gemachtigde: mr. K. van der Hoeven),
en
(gemachtigden: mr. A. Buijs en [gemachtigde]).

Procesverloop

1.1. Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 heeft verweerder de exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van verzoekster ingetrokken op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast een verzoek gedaan aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot 6 weken na de beslissing op het bezwaar.
1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 1] en [de persoon 2] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

  1. Verzoekster exploiteert aan het [adres] in Amsterdam [bedrijf]. Aan verzoekster zijn op 21 december 2022 zowel een exploitatievergunning op grond van de APV van Amsterdam als een Alcoholwetvergunning op grond van de Alcoholwet verleend.
  1. Op 1 mei 2023 heeft verzoekster een wijziging aangevraagd voor de vergunningen met betrekking tot de aandeelhouders en bestuurders. In dat kader is verweerder een Bibob-onderzoek gestart.
  1. Het Landelijk Bureau Bibob (LBB) heeft op 17 april 2024 advies uitgebracht. Het LBB concludeert dat een ernstige mate van gevaar bestaat dat de exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning (mede) worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.[1]
  1. Verweerder heeft met het bestreden besluit de exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van verzoekster ingetrokken, omdat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen. Tevens wordt de exploitatievergunning ingetrokken omdat de bedrijfsvoering een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormt.[2] Verzoekster moet uiterlijk op 9 juni 2025 de exploitatie beëindigen. Na deze datum moet het horecabedrijf gesloten zijn.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het spoedeisend belang en acht het spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening hiermee gegeven.
  1. De burgemeester heeft, voorafgaand aan de zitting en op verzoek van de voorzieningenrechter, de uitvoering van het bestreden besluit opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Overwegingen
  1. Verzoekster heeft aangegeven dat haar belang bij haar verzoek tot schorsing van het bestreden besluit is gelegen in het risico dat zij loopt om failliet te gaan. Zij heeft ter zitting hiertoe een verklaring overgelegd van een boekhouder. Verzoekster heeft toegelicht dat zij een groot [bedrijf] is in het [locatie] met 60 man personeel. Wanneer zij per direct moet sluiten, zal zij niet langer aan haar betalingsverplichtingen kunnen voldoen. Dit heeft gevolgen voor haar medewerkers, leveranciers en andere partijen.
  1. In het bestreden besluit stelt verweerder dat in totaal sprake is van drie onherroepelijke boetes voor vijf overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en een onherroepelijke boete voor een overtreding van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Ook bestaat een ernstig vermoeden dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de Wet natuurbescherming. Deze overtredingen zijn begaan in 2021 en 2022 en hangen volgens verweerder samen met de activiteiten waarvoor de vergunningen zijn verleend. Verweerder vermoedt dat overtredingen van de Wav, Waadi en Wet Natuurbescherming ook recent nog hebben plaatsgevonden. Gebleken is dat bij een controle van de Arbeidsinspectie op 22 maart 2024 wederom overtredingen zijn geconstateerd op grond van de Wav. Het zou volgens verweerder om 19 overtredingen gaan.
  1. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder op 17 april 2024 het advies van het LBB heeft ontvangen en pas meer dan een jaar later (op 26 mei 2025) het bestreden besluit heeft genomen. De eerste boetebesluiten waar het bestreden besluit op is gebaseerd, dateren van 26 oktober 2022. Verzoekster is niet bekend met de 19 overtredingen die volgens verweerder op 22 maart 2024 zijn geconstateerd. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven niet bekend te zijn met de aard van de overtredingen. Bovendien is opgemerkt dat bij een controle op 10 april 2024 geen overtredingen zijn geconstateerd.
  1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder haar belang dat verzoekster nu moet sluiten en haar standpunt dat de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht, onvoldoende heeft onderbouwd. Van een slechte bedrijfsvoering en een gevaar voor de openbare orde en veiligheid is gelet op de genoemde controle op 10 april 2024 kennelijk geen sprake (meer). Ook wijst het tijdsverloop tussen de geconstateerde overtredingen in 2021 en 2022 en het advies van het LBB in 2024 enerzijds en het bestreden besluit in 2025 anderzijds er niet op dat er redenen zijn aan te nemen dat de sluiting van verzoekster zo dringend is dat de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
  1. De voorzieningenrechter concludeert dat het belang van verzoekster bij schorsing van het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij de directe intrekking van de exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 26 mei 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
  1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek toe; - schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385, - aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob.
Artikel 3.24 onder b van de APV. - - - ## Voetnoten
Artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob.
Artikel 3.24 onder b van de APV.