Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4369 - Rechtbank Amsterdam - 22 januari 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:436922 januari 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2018

[eiseres] , uit [woonplaats] (Marokko), eiseres

( [gemachtigde eiseres] ),
en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

( [gemachtigde verweerder] ).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 22 februari 2024 (het bestreden besluit) waarin de SVB het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 oktober 2021 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
  1. De rechtbank heeft het beroep op 13 december 2024 op zitting behandeld. Partijen zijn zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Totstandkoming van het besluit

  1. Met het primaire besluit van 28 oktober 2021 heeft de SVB de aanvraag van een Anw-uitkering[1] van eiseres afgewezen omdat de partner van eiseres op de dag dat hij overleed niet voor de Anw verzekerd was.
  1. Op 18 juli 2023 heeft eiseres nogmaals een Anw-uitkering aangevraagd. In reactie hierop heeft de SVB haar op 18 september 2023 nogmaals het primaire besluit toegestuurd.
  1. Op 7 november 2023 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft de SVB het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres kon tot en met 30 oktober 2023 bezwaar maken. Het bezwaar van eiseres dateert van 7 november 2023 en is op 6 december 2023 door verweerder ontvangen. Volgens verweerder heeft eiseres geen geldige reden voor het overschrijden van de bezwaartermijn.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt of de SVB het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  1. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar bezwaarschrift heeft gesteld dat zij het primaire besluit op 6 november 2023 heeft ontvangen. Zij heeft vervolgens één dag later, op 7 november 2023, bezwaar gemaakt. Op 6 december 2023 is het bezwaarschrift door de SVB ontvangen.
  1. Volgens de SVB is de bezwaartermijn aangevangen op 18 september 2023, de datum dat het primaire besluit opnieuw aan eiseres is verstuurd, en verstreken op 31 oktober 2023. Het bezwaar van eiseres van 7 november 2023 is volgens de SVB te laat ingediend zonder dat zij daarvoor een goede reden had.
  1. De (bezwaar-)termijn bedraagt zes weken[2] en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.[3] In het geval van een niet aangetekende verzending van een besluit, moet het bestuursorgaan aannemelijk maken dat het stuk is verzonden. Aan het aannemelijk maken daarvan worden hoge eisen gesteld. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het stuk is voorzien van de juiste adressering en verzenddatum en dat er een degelijke verzendadministratie is. Als het bestuursorgaan er niet in slaagt aannemelijk te maken dat een besluit op een bepaalde datum is verzonden, dan geldt als uitgangspunt dat de verzending pas kort voor de gestelde ontvangst van het primaire besluit heeft plaatsgevonden.[4] In dit geval vangt de bezwaartermijn van zes weken pas aan vanaf die datum.[5]
  1. Vast staat dat de SVB het primaire besluit, gedagtekend 18 september 2023, niet-aangetekend naar het adres van eiseres heeft verzonden. Een registratie van daadwerkelijke verzending op de gedagtekende datum ontbreekt en de SVB heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat het besluit daadwerkelijk op 18 september 2023 is verzonden. Daarom mag ervan worden uitgegaan dat de bezwaartermijn kort vóór de door eiseres gestelde ontvangst op 6 november 2023 is aangevangen. Niet is gebleken van contra-indicaties dat het besluit eerder zou zijn ontvangen. Het bezwaarschrift van eiseres van 7 november 2023 is op 6 december 2023 door de SVB ontvangen. Het bezwaar van eiseres was daarmee tijdig ingediend.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond. De SVB heeft het bezwaar namelijk ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de SVB een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de SVB hiervoor een termijn van acht weken.
  1. Omdat het beroep gegrond is moet de SVB het griffierecht aan eiseres vergoeden.
De rechtbank
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 22 februari 2024;
 draagt de SVB op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
 bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 51, - aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.A. Olsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.
Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:8, eerste lid, Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRVB van 3 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1174, r.o. 4.1 tot en met 4.4 en van 22 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1177, r.o. 4.2.4.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 22 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2190. - - - ## Voetnoten
Een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.
Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:8, eerste lid, Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRVB van 3 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1174, r.o. 4.1 tot en met 4.4 en van 22 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1177, r.o. 4.2.4.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 22 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2190.