Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4367 - Rechtbank Amsterdam - 1 april 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:43671 april 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2859

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
( [gemachtigde verweerder] ).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiseres tegen het arbeidsongeschiktheidspercentage dat voor haar is vastgesteld.
  1. Op 25 juli 2023 heeft het UWV besloten dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering[1] per 24 maart 2023. Met het bestreden besluit van 15 april 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres gewijzigd vastgesteld op 47,26%. Het UWV heeft daarbij aan eiseres alsnog een WIA-uitkering toegekend.
  1. Hiertegen is eiseres in beroep gegaan. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
  1. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Wat er aan deze procedure voorafging

  1. Eiseres werkte als [functie] bij DPG Media B.V. Zij meldde zich ziek op 26 maart 2021. Na het doorlopen van de wachttijd heeft zij een WIA-uitkering aangevraagd.
  1. Met het besluit van 25 juli 2023 heeft het UWV de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij op 24 maart 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Hiertegen is eiseres in bezwaar gegaan.
  1. In bezwaar heeft er opnieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Anders dan de primaire verzekeringsarts in haar rapport van 17 juli 2023 concludeerde, stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 januari 2024 onder meer vast dat eiseres op 22 maart 2023, twee dagen vóór de datum in geding (24 maart 2023), van de trap is gevallen. Mede hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om van het primaire medische oordeel af te wijken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van eiseres neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 januari 2024. Hierna heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 januari 2024 het arbeidsongeschiktheidspercentage opnieuw berekend.
  1. Met een brief van 4 maart 2024 heeft het UWV kenbaar gemaakt voornemens te zijn het besluit van 25 juli 2023 te wijzigen in die zin dat eiseres met ingang van 24 maart 2023 recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij 47,26% arbeidsongeschikt is. Eiseres heeft in reactie op dit voornemen aangegeven dat zij het oneens is met het arbeidsongeschiktheidspercentage, dit dient volgens haar op 80-100% te worden gesteld.
  1. Met het bestreden besluit van 15 april 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de aanvraag van eiseres alsnog toegewezen. Eiseres heeft met ingang van 24 maart 2023 recht op een WIA-uitkering omdat zij 47,26% arbeidsongeschikt is.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt of het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per 24 maart 2023 juist heeft vastgesteld. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet verder aanleiding om het UWV op te dragen het griffierecht te vergoeden en te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Dit alleen al, omdat het UWV in de beroepsfase een nieuwe FML van 7 februari 2025 heeft vastgesteld en daarin een aanvullende beperking aangenomen. Dit heeft niet geleid tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  1. De rechtbank stelt voorop dat eiseres door het UWV gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geacht. Hoewel partijen van mening verschillen over de mate van arbeidsongeschiktheid, erkent het UWV uitdrukkelijk dat eiseres gezondheidsklachten heeft – ook ten gevolge van de val van de trap – en heeft het UWV daarvoor beperkingen aangenomen. Ook de rechtbank twijfelt er niet aan dat eiseres belemmerende gezondheidsklachten ervaart. Dat is op zichzelf echter niet genoeg voor de conclusie dat zij volledig arbeidsongeschikt is, ook al vindt zij die conclusie juist en logisch. De (subjectieve) klachtbeleving van eiseres is namelijk niet leidend. In de arbeidsongeschiktheidswetgeving gaat het om de vraag of medisch en objectief bezien iemand – als rekening wordt gehouden met alle beperkingen – alsnog bepaalde werkzaamheden kan verrichten.
  1. Het UWV mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze voorwaarden voldoen. De rechtbank beoordeelt of de rapporten die in deze zaak zijn opgesteld, voldoen aan de genoemde voorwaarden.
De zorgvuldigheid
  1. De rechtbank vindt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Uit het dossier volgt dat de primaire verzekeringsarts eiseres heeft onderzocht tijdens een spreekuur op 29 juni 2023 door middel van een video-verbinding. Daarbij heeft de primaire verzekeringsarts zijn rapport gebaseerd op dossierstudie en informatie van derden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres gezien en gesproken tijdens een hoorzitting op 21 december 2023. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn rapport gebaseerd op dossierstudie en informatie van derden. Er is verder, gelet op de onderzoeksactiviteiten, geen reden om te oordelen dat de medische rapporten van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en niet aan de daaraan te stellen voorwaarden voldoen.
De lichamelijke beperkingen
  1. Eiseres stelt dat haar lichamelijke klachten zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beperkingen aangenomen in verband met de breuk aan haar rechterschouder, maar eiseres stelt meer beperkt te zijn. Bovendien heeft eiseres, doordat zij van de trap is gevallen, een hersenschudding opgelopen. Ook heeft zij haar enkelbanden verrekt en sinds de val heeft zij rugklachten. Eiseres stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier ten onrechte geen beperkingen voor heeft aangenomen.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij lichamelijk meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkens de FML van 7 februari 2025 vanwege de schouderbreuk (onder meer) een beperking heeft aangenomen ten aanzien van het boven schouderhoogte actief zijn. Door de primaire verzekeringsarts is op 29 juni 2023, dicht op de datum in geding, geobserveerd dat haar rechterschouder tot 90º kwam. Bij oriënterend onderzoek aan de rechterschouder werd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep waargenomen dat adductie mogelijk was tot ongeveer schouderhoogte. Op de hoorzitting van 21 december 2023 is ter sprake gekomen dat een orthopeed bij haar een frozen shoulder heeft vastgesteld, dit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen. De rechtbank vindt de aangenomen beperking ten aanzien van het boven schouderactief zijn voldoende gemotiveerd en passend bij de onderzoeksbevindingen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen aangenomen voor tillen, duwen, het met kracht schroefbewegingen maken met de rechterarm en - hand en het gebruiken van muis en toetsenbord (1 uur per dag). De motivering in de rapporten van de verzekeringsartsen acht de rechtbank begrijpelijk en navolgbaar. Dat eiseres meer beperkt is als gevolg van enkelklachten dan in de FML is vastgesteld, heeft zij niet met medische stukken aannemelijk gemaakt. Pas in de reactie op het voornemen heeft eiseres gesteld dat zij een hersenschudding heeft opgelopen. De aanwezigheid of klachten daarvan heeft zij niet op de spreekuren bij de verzekeringsartsen benoemd. Uit de stukken van de behandelend sector (de traumatologie arts en de huisarts) komt dit niet naar voren. Ook in beroep heeft eiseres deze klachten niet met medische stukken onderbouwd. Ten aanzien van de rugpijn wordt opgemerkt dat eiseres dit bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet meer als klacht benoemt. Bij onderzoek op het spreekuur zijn aan de rug geen afwijkingen gevonden. De rechtbank acht het dan ook navolgbaar dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiervoor gaan aanvullende beperkingen heeft aangenomen, naast de hiervoor genoemde beperkingen, die ook als rugsparend kunnen worden beschouwd.
De psychische beperkingen
  1. Eiseres stelt voorts dat haar psychische klachten zijn onderschat. Er hadden verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen binnen de rubriek 'persoonlijk functioneren', zoals voor het vasthouden van de aandacht en herinneren, en binnen de rubriek 'sociaal functioneren', namelijk op de onderdelen emotionele problemen van anderen hanteren, omgaan met conflicten en eigen gevoelens uiten.
  1. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij psychisch meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft gehouden met de verhoogde psychische kwetsbaarheid van eiseres en gelet hierop in de FML van 7 februari 2025 beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van (onder meer) het omgaan met conflicten. Daarvoor heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep steun gevonden in de informatie van de huisarts. Ten aanzien van de rubriek 'persoonlijk functioneren' (vasthouden van de aandacht en herinneren) constateert de primaire verzekeringsarts dat eiseres tijdens het gesprek, dat 50 minuten duurde, de aandacht kon vasthouden en zich voldoende kon concentreren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat eiseres op aandachtige wijze en in chronologische volgorde haar verhaal vertelde. Hij zag geen aanwijzingen voor cognitieve stoornissen. Eiseres is door haar huisarts doorverwezen naar de psychiatrie, maar is rondom de datum in geding en ook daarna geen behandeling gestart. Ten aanzien van de rubriek 'sociaal functioneren' zijn geen klachten benoemd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en acht de motivering waarom geen aanvullende beperkingen zijn aangenomen navolgbaar. Dat er aanvullende beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren moeten worden aangenomen, heeft eiseres ook niet met medische stukken onderbouwd.
Beperking in de duurbelastbaarheid
  1. Eiseres stelt tot slot dat er, gelet op de psychische en slaapproblematiek, ten onrechte geen beperking in de duurbelastbaarheid is aangenomen. Volgens eiseres hebben de verzekeringsartsen van het UWV dit onvoldoende gemotiveerd.
  1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar gemotiveerd waarom er geen verdergaande urenbeperking is aangenomen. Er zijn drie indicatiegebieden op grond waarvan de duurbelastbaarheid beperkt kan worden, te weten: preventieve redenen, een verminderde beschikbaarheid of een stoornis in de energiehuishouding. Eiseres kan gemiddeld 8 uur per dag en 40 uur per week werken. Uit het dagverhaal in het rapport van de primaire verzekeringsarts, dit is het dichtst op de datum in geding, blijkt dat eiseres gedurende de dag activiteiten onderneemt en geen recuperatiebehoefte heeft. Zo besteedt zij wisselend aantal uren per dag aan haar bedrijf, op goede dagen vier tot zes uur. Zij kan wel continuïteit geven aan haar startende bedrijf. Zij besteedt twee tot drie uur aan de computer en houdt zich bezig met aansturen van werknemers en het geven van trainingen. De door haar omschreven psychische en slaapproblematiek leidt kennelijk niet tot recuperatie gedurende de dag. Op zitting is namens eiseres nogmaals benadrukt dat zij wisselende dagen heeft en dat het dagverhaal een goede dag beschrijft. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met juistheid heeft getoetst aan de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid en heeft kunnen concluderen dat niet sprake is van een ernstige problematiek die een verdergaande urenbeperking zou kunnen rechtvaardigen. Daarbij neemt de rechtbank het dagverhaal en de reeds aangenomen beperkingen in aanmerking.
Gebrek in de medische grondslag van het bestreden besluit
  1. De rechtbank heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen twijfel over de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank ziet om die reden dan ook geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
  1. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML in beroep wel gewijzigd door hierin een extra beperking aan te nemen. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit gebrekkig is geweest, maar dat dit gebrek in de beroepsfase is hersteld. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet is benadeeld door dit gebrek. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. De rechtbank zal het gebrek in het bestreden besluit daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren.
De arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit
  1. Eiseres stelt dat de functie inpakker/ster koekjes (code: 111190) niet geschikt voor haar is. Eiseres is namelijk niet in staat om met rechts boven schouderhoogte actief te zijn en niet valt in te zien hoe zij deze functie kan uitoefenen zonder daarbij haar rechterhand boven schouderhoogte te brengen.
  1. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat in deze functie inderdaad boven schouderhoogte wordt gewerkt – er moet namelijk iedere 2 uur 5 keer een doos van 425 gram op een pallet worden geplaatst – maar dit kan ook zonder daarbij de rechterhand boven schouderhoogte te brengen. Eiseres kan de doos met links op de pallet leggen. Eventueel kan zij haar linkerarm ondersteunen met haar rechterhand, zonder daarbij haar rechterhand boven schouderhoogte te brengen. Als alternatief kan er een opstapje worden gebruikt. Uit eerder overleg met de arbeidskundig analist bleek dat het gebruik van een opstapje mogelijk was. Er heeft ook overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgevonden. Deze heeft aangegeven dat, ondanks dat er een beperking voor klimmen is aangenomen, eiseres onbeperkt kan klimmen en daarmee onbeperkt een opstapje op en af kan, zolang zij daarbij haar rechterschouder niet hoeft te gebruiken. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep genoemde functie terecht geschikt heeft bevonden.
  1. De rechtbank is van oordeel dat de geduide functies de belastbaarheid van eiseres niet overschrijden en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deze functies ten grondslag heeft mogen leggen aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Vergoeding huisartskosten bezwaar
  1. Eiseres heeft in bezwaar kosten gemaakt doordat zij medische informatie bij haar huisarts heeft opgevraagd en overlegd. Deze kosten waren reeds in bezwaar verzocht en onderbouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat deze kosten van € 101,52 voor vergoeding in aanmerking komen en nog niet door het UWV zijn vergoed. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de vergoeding van deze kosten in het bestreden besluit had moeten toekennen. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. Op dit punt acht de rechtbank het beroep dan ook gegrond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het UWV opdragen deze kosten alsnog te vergoeden. Voor het overige zal de rechtbank de rechtsgevolgen in stand laten.

Conclusie en gevolgen

  1. De beroep is gegrond omdat het UWV de kosten van de huisarts niet heeft vergoed. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is per 24 maart 2023 wel met juistheid vastgesteld op 47,26%. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand zal laten.
  1. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er geeft aanleiding om het UWV op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 51, - aan haar te vergoeden. Ook zal de rechtbank het UWV veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1).
  1. Het UWV moet de in bezwaar gemaakte huisartskosten van € 101,52 aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de kosten van de huisarts niet zijn toegewezen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
 laat voor het overige de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand;
 draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51, - aan eiseres te vergoeden;
 veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-;
 draagt het UWV op de in bezwaar gemaakte huisartskosten van € 101,52 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.
De griffier is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. - - - ## Voetnoten
Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.